Wetenschappelijke revoluties

Vergilius (Bardo-museum, Tunis)
11 november 2020

Omdat ik in Beiroet ben was ik gisteren niet in Leiden, toen daar “Oog op de Oudheid” was, gisteravond gewijd aan migratie – het thema van de Week van de Klassieken. Gelukkig was alles via de twitter te volgen via #OodO19. Ik begrijp dat de twee sprekers bij de discussie van mening verschilden over de vraag of de doorbraken in de bioarcheologie – de opkomst van het DNA-onderzoek, het isotopenonderzoek, het inzicht dat mensen vroeger veel mobieler waren dan we dachten – konden worden getypeerd als een wetenschappelijke revolutie. Rens Tacoma meende dat het daarvoor nog te vroeg was, Lisette Kootker meende van wel omdat in Nederland een nieuwe methode volledig geïntegreerd was geraakt aan de academie en in het archeologisch bedrijfsleven.

Hier is iets aan de hand. De uitdrukking “wetenschappelijke revolutie” is afkomstig van de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn. Die opperde in 1962 dat wetenschappers hun onderzoek altijd deden vanuit een bepaald kader, een denkraam, dat hij in navolging van socioloog Robert Merton aanduidde als een paradigma. Soms ruilen wetenschappers het ene paradigma in voor het andere en dat heet dan een wetenschappelijke revolutie. Het door Kuhn zelf beschreven voorbeeld is de overgang van het middeleeuwse wereldbeeld, waarin de zon om de aarde draait, naar het copernicaanse, waarin de aarde om de zon draait. Je kunt niet beide standpunten tegelijk aanhangen. Ze zijn, zoals dat heet, incommensurabel.

De termen “revolutie” en “paradigma” worden vooral misbruikt. Als iemand “paradigma” zegt, weet je eigenlijk zeker dat wat volgt kletskoek zal zijn en ik ken iemand die bij wetenschappelijke congressen een koptelefoon opzet als ze het woord hoort langskomen, zodat ze iets kan gaan lezen waar ze wél iets aan heeft. Ik denk dat ze gelijk heeft. Margaret Masterman toonde al in 1965 aan dat het begrip te vaag was om nog zinvol te gebruiken. Wie het nu nog over paradigma’s en revoluties heeft, geeft vooral aan chique te willen doen door woorden te gebruiken waarvan ’ie de betekenis eigenlijk niet kent. Ik kan de voorzichtigheid van Tacoma dus goed begrijpen en neig er ook instinctief naar de DNA-revolutie niet zo te noemen. (Ook omdat isotopenonderzoek zo belangrijk is.)

Toch denk ik dat het dit keer toegestaan is. Ik denk dat een veilige herdefiniëring van Kuhns visie is dat de instituties van de wetenschap op de schop gaan. In de dagen van Copernicus, Kepler, Stevin en Galilei ontstonden nieuwe wetenschappelijke instellingen om astronomie te bedrijven, om eens iets te noemen. Ik denk dat we dat nu ook zullen zien gebeuren. De dynamiek in het onderzoekveld zou gevolgen behoren te hebben voor de onderzoeksinstituties. Vooral voor de filologie.

Voor wie dit te snel gaat licht ik nog even toe wat dit voor de filologie – dat wil zeggen de studie van oude teksten – betekent. Die antieke teksten zijn immers niet geschreven voor u en mij. Ze bevatten onbegrijpelijke passages. Om die uit te leggen, haalt de oudheidkundige andere teksten (en archeologische vondsten) erbij, maar niet elke vergelijking levert evenveel resultaat op. Als Vergilius het ergens heeft over een bijzonder kind dat geboren zal gaan worden, zouden we het liefst uit zijn eigen oeuvre afleiden wie dat is. Als dat niet kan, verwijden we de cirkel en kijken we naar teksten uit zijn tijd (de eerste eeuw v.Chr.) en omgeving (Italië). Liever vergelijk je het niet met een tekst uit een andere tijd en plaats. Je zou dat een “verklaringshorizon” kunnen noemen: binnen die kring zijn vergelijkingen zinvol, daarbuiten wat minder.

De crux is dat, nu we weten dat mensen beweeglijker zijn geweest dan we dachten, die cirkel groter wordt. Waar mensen reizen, reizen immers ideeën en motieven met ze mee.

Dat wil niet zeggen dat nu ineens alles met alles valt te vergelijken, maar je zou nu eens kunnen gaan kijken of Vergilius op de hoogte was van de joodse messiaanse teksten. Ik noem dit voorbeeld omdat het al eens geopperd is geweest (al ben ik vergeten door wie en kan ik het nu ook niet opzoeken). Dat viel altijd al te overwegen, maar waar het eerste gold als “een interessante gedachte” die als het ware op de rand van de cirkel lag, ligt het nu stevig bij de toegestane duidingen.

Classici zullen bij de verklaring van Griekse en Latijnse teksten serieuzer dan nu rekening moeten houden met invloeden uit de andere grote antieke taalgebieden – het Akkadisch en het Aramees bijvoorbeeld – omdat waar mensen reizen, ze hun ideeën en motieven meenemen. Ik kan me voorstellen dat de onderwijsprogramma’s worden uitgebreid met overzichten van de Akkadische en Aramese literatuur. (Bedenk dat de Akkadische literatuur, geschat aan de hand van het aantal overgeleverde woorden, even uitgebreid is als de Latijnse en door de vondst van het aantal kleitabletten nog voortdurend groeit.)

Ik kan me echter ook een radicalere vernieuwing voorstellen: dat die lachwekkende grens tussen filologie en archeologie nu eindelijk eens wordt geslecht en er één oudheidkundige wetenschap ontstaat. De situatie nu, waarin iemand óf teksten óf vondsten bestudeert, heb ik weleens vergeleken met een pianist die alleen witte of zwarte toetsen bespeelt. Daar zit geen muziek in. Maar dat kan nu zomaar veranderen. Of de revolutie werkelijk zal doorzetten – dat is meer een vraag naar universiteitspolitiek en eerlijk gezegd ben ik daarover niet optimistisch. Dat gezegd zijnde: gevoelsmatig ben ik het eens met Rens Tacoma, en ik benadruk dat de bioarcheologische veranderingen voorlopig niet leiden tot incommensurabiliteit, maar Lisette Kootker heeft gelijk als ze de ontwikkelingen typeert als revolutionair.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Prinsjesdag, Plinius, Mill en de vergelijkingstheorie

Morgen is het Prinsjesdag en dat is een mooie gelegenheid om het weer eens over vergelijkingstheorie te hebben. Het demissionaire Read more

LIDaR en de gevolgen

Een week of twee geleden blogde ik over de vernieuwing die de oudheidkunde in de twintigste eeuw heeft ondergaan dankzij Read more

Verkeerd geleerde historische lessen

Vorige week overleed Donald Kagan. De in Litouwen geboren Amerikaanse classicus is de auteur van een van de aardigste inleidingen Read more

De Zeevolken: meer problemen

In de vorige vier stukken (één, twee, drie, vier) over de Zeevolken heb ik uitgelegd dat het bewijsmateriaal een consistent Read more