Wat is een grens? (2)

Detail van de Peutinger-kaart: Arae Philaenorum wordt hier getypeerd als de grens tussen de provincies Africa en Cyrenaica, m.a.w. als de grens tussen de imperia van twee gouverneurs.
13 november 2020

[In het eerste deel van dit artikel constateerde ik aan de hand van Baktrië en Germanië dat machtsuitoefening – dat wil zeggen: dat je mensen dingen kunt laten doen die ze anders niet zouden hebben gedaan – niet altijd archeologisch terug te vinden is. Hoe herken je in het bodemarchief waar een grens heeft gelegen?]

***

Dat machtsuitoefening niet samenvalt met de bouw van forten, wegen en andere monumenten, en dat ze daardoor archeologisch moeilijk vindbaar is, past goed bij het Romeinse denken over macht. Het woord imperium is misschien het beste te vertalen als “invloedssfeer” en duidt niet – of beter: niet per se – op een territoriaal begrensd gebied. Het slaat op de bevoegdheden van een magistraat (bijvoorbeeld het imperium proconsulare).

Voor ons relevant is het commando in een oorlog. De commandanten van de noordelijke legers hadden elk een eigen imperium om aan de overzijde van de rivier te vechten, maar er was geen duidelijke grens aan het strijdtoneel. Het was daardoor mogelijk dat een commandant die imperium had in het ene gebied, actief raakte in een gebied waar ook anderen actief waren. Eén oplossing was het imperium maius, waarin werd vastgelegd wie dan voorrang had. Een andere maatregel was het aanwijzen van gebieden waarin het imperium geldig was: een provincia. De voor zover ik weet enige territoriale afbakening die een imperium kende, was dus de grens met het imperium van een collega. Zie ook het plaatje hierboven.

Wat geldt voor het machtsbereik van een magistraat geldt eveneens voor het machtsbereik van de Romeinse overheid: de Romeinen vatten het imperium Romanum niet op als territoriaal begrensd geheel. Ze bouwden forten om hun belangrijkste gebieden te beschermen, maar dat wil niet zeggen dat deze forten een grens waren. Als de Romeinen na 9 hun troepen legeren aan de Rijn en aan de overzijde van die rivier Haltern aanhouden, betekent dat niet dat ze geen macht meer uitoefenden op de andere oever. De loodmijnen bleven gewoon in gebruik. Minimaal een deel van de Romeinse invloedssfeer is archeologisch niet te vinden.

***

Langs de Beneden-Rijn ligt een reeks forten: de limes. Die forten beschermden een transportroute, zoveel is zeker, maar vormden ze ook een grens? Zoals we hebben gezien kunnen we dat uit het bodemarchief niet afleiden terwijl de geschreven bronnen het grensbegrip problematiseren. (Voor alle duidelijkheid: ik zeg niet dat de Romeinen nooit grenzen kenden. Het gaat om het kentheoretische probleem en mijn voorbeeld is Nederland.)

Zoals we zagen in Baktrië, kan de overname van het netwerk van machtsrelaties door een of andere veroveraar archeologisch onvindbaar zijn. Op dit punt vind ik de vaste opstelling in het Rijksmuseum van Oudheden zo goed: ze toont enerzijds nederzettingen waar wél dingen veranderden toen ze kwamen te liggen binnen de Romeinse sfeer, zoals Nijmegen, maar toont ook vondsten uit opgravingen waar niets veranderde, zoals Dronrijp en Rijswijk. Zouden ze de opgraving in Brabant hebben getoond waar ik zelf ooit werkte, het verhaal zou ruwweg hetzelfde zijn.

In de twee zuidelijke opgravingen constateren we dat er geen verandering was ondanks de Romeinse overheersing; in de noordelijke zouden we – zie opnieuw Baktrië – hetzelfde kunnen constateren. Door handel veranderde de materiële cultuur hier of daar, maar dat zegt niet zoveel over de eigenlijke cultuur: de boeren – 90% van de bevolking in de oude wereld – oogstten en ploegden, zaaiden en maaiden, en droegen een deel van hun oogst af aan hun elite. Net als in het Baktrië in de tijd van Alexander de Grote was boven die elite een andere meester gekomen en in die zin was alles veranderd, maar op de grond veranderde er eigenlijk weinig.

Of toch? Ik heb nog gedacht aan de munten. Ten zuiden van de limes is de aanvoer vrij regelmatig, wat duidt op integratie in een groter economisch systeem; benoorden de limes komen de munten aan in golven, die kunnen worden verklaard doordat de Romeinen in crisissituaties óf groepen krijgers uit het noordelijk kustgebied in dienst namen óf afkochten. Weliswaar is er zo sprake van twee verschillende vormen van beheersing, maar in beide gevallen zou een Romein het noordelijk kustgebied hebben aangeduid als onderdeel van het imperium.

***

Waar komt, als het archeologisch niet documenteerbaar is en als de Romeinse ideeënwereld andere opties kende dan de territoriaal begrensde staat, het idee dan vandaan dat de limes een grens is geweest? Het is een negentiende-eeuwse interpretatie van de geschreven bronnen. Van een Florus, die op alle scholen werd gelezen en paste in een (Duits) nationalistisch aanbod. Van een beroemde passage uit Tacitus waarin staat dat keizer Claudius generaal Corbulo gelastte zijn troepen terug te trekken op de linker Rijnoever, die destijds werd geïnterpreteerd vanuit de toen gangbare visie dat je je troepen legerde aan de grens.

Je zou denken: de negentiende eeuw is voorbij. Maar oudheidkunde is een complex vak dat steeds complexer wordt, terwijl de opleidingen in de jaren tachtig zijn verkort. Dat de oproep tot interdisciplinariteit eindeloos wordt herhaald, duidt op de hieruit voortvloeiende problemen. De archeologie is zich steeds meer gaan beperken tot dat wat rechtstreeks uit het bodemarchief valt te halen; er is weinig tijd om na te denken over kentheoretische problemen; en daarom herhaalt men allerlei ingeburgerde noties. Noties die vaak verouderd zijn.

Dat Nijmegen en Tongeren ooit stedelijke rechten (de municipium-status) zouden hebben verworven is een onschuldig voorbeeld; dat het Romeinse Rijk een territoriaal begrensde eenheid was, heeft politieke implicaties in een tijd waarin Nieuw Rechts hamert op de goed bewaakte grenzen van de nationale staat. De archeologie zou een zinvolle bijdrage kunnen leveren door uit te leggen dat het idee van de territoriaal begrensde staat negentiende-eeuws is en dat er alternatieven zijn, zodat we, links of rechts, ons eigen denken beter begrijpen. We kunnen alleen constateren dat de voorlichting over de limes, juist nu ze haar belang kan bewijzen, in alle toonaarden zwijgt.

Maar ook al bekreunen archeologen zich minder dan vroeger om kentheorie en om hun betekenis voor het maatschappelijk debat: de limes vormt een waanzinnig kentheoretisch thema. Kunnen we invloedssferen en de eindigheid van macht herkennen in het bodemarchief? Zo ja, in welk opzicht is dan de reeks forten langs de Beneden-Rijn hetzelfde als de clausura in het zuiden van Tunesië? Wat is de overeenkomst met de muur van Hadrianus? (Ik ga er gemakshalve van uit dat dit werkelijk grenzen zijn geweest.) Of omgekeerd: indien we zouden kunnen vaststellen dat pakweg Dronrijp lag buiten het imperium van de Romeinen, in welk opzicht verschilt het dan van Baktrië? En in welk opzicht stemmen Rijswijk en Noord-Brabant met Baktrië overeen?

Dit is een fantastisch thema. Hier liggen – pun intended – de grenzen van de wetenschap.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Dertig Egyptische dynastieën en drie Egyptische rijken

Zoals ik al eens vertelde, ben ik begonnen met het herlezen van het handboek waarmee ik in mijn eerste jaar Read more

De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Oude talen, modern nationalisme

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn Read more

De eeuwige negentiende eeuw

Het kernprobleem van de oudheidkundige disciplines is het tekort aan data. Je hebt, denk ik, ongeveer vijftien boekenkasten nodig om Read more