Verklaren door vergelijken (1)

Een suffeet uit Lepcis Magna (Nationaal Museum, Tripoli)
14 november 2020

Al zijn er mensen die denken dat historici alleen maar feitjes verzamelen, het is maar één aspect van wat historici doen. Ze proberen de gebeurtenissen ook te verklaren. Daarvoor hebben ze verschillende “verklaringsmodellen”.

  • Soms doen ze dat wetmatige verbanden te formuleren, waarin ze oorzaak-gevolg-relaties leggen. We noemen dat wel positivisme en het lukt heel redelijk als het gaat om zaken als demografie.
  • Soms doen ze dat door zich in de mensen van vroeger in te leven. Dat model heet hermeneuse en is eigenlijk het meest gebruikelijke model. Het leidt niet per se tot grote-mannen-geschiedenis, maar de nadruk ligt wel sterk op het individu en de eveneens reëel bestaande processen blijven wat onderbelicht. (Zie daarover mijn stukje over individu en proces.)
  • Narrativisme is dat je, heel postmodern, accepteert dat het verleden voorgoed onkenbaar is geworden – we hebben immers te weinig data – en dat je afziet van de ambitie oorzaak-gevolg-relaties uit het verleden op te sporen, maar dat je ze creëert. Dat kan een overtuigend of een minder overtuigend verhaal opleveren, maar ik zou het geen wetenschap meer noemen en ik begrijp niet goed waarom academici dit model niet radicaler afwijzen.
  • Dan zijn er de nieuwe visies op causaliteit die mogelijk worden door de brute rekenkracht van computers; daarover een andere keer. Dit is zó nieuw, en hermeneuse is zó populair, dat het weleens is gebeurd dat toen een leuke computer-gebaseerde ontdekking werd gedaan, historici zich er niet in verdiepten omdat het geen geschiedenis zou zijn.
  • Vandaag het derde verklaringsmodel, dat bekendstaat als vergelijkend-oorzakelijk: het zoekt oorzakelijke verklaringen, maar ziet af van wetmatigheden en spoort oorzaken op door middel van vergelijking. Het wordt ook wel comparativisme genoemd.

Deze benadering is in hoofdlijnen ontwikkeld in de vroege negentiende eeuw en is eigenlijk zó vanzelfsprekend dat we haar haast niet herkennen als een methode. Een aardig voorbeeld is te vinden in de Historiën van Herodotos, die ergens bewijst dat de bewoners van Kolchis, het huidige Georgië, afkomstig moesten zijn uit Egypte. Beide volken, zo schrijft hij, hebben een wat donkerdere huid en kroeshaar, kennen als enigen de besnijdenis, spreken talen die op elkaar lijken en kennen dezelfde techniek om linnen te vervaardigen, die nergens anders voorkomt. De overeenkomsten hadden hun oorzaak, zo meende Herodotos, in verwantschap. Moderne geleerden zijn er niet zo zeker van dat de twee volken werkelijk verwant zijn, maar Herodotos’ redenering is op zich correct; sterker nog, de Griekse onderzoeker slaagt erin twee beruchte valkuilen te vermijden.

De eerste is dat onderzoekers nog wel eens zaken willen vergelijken zonder te kijken hoe vaak die voorkomen. Een voorbeeld van deze redenatiefout is de stelling dat West-Europa zijn wetenschappelijke rationaliteit dankt aan de oude Grieken. Deze wordt dan bewezen door erop te wijzen dat wij en zij deze denkhouding delen en dat wij haar, aangezien zij eerder leefden, dus moeten hebben overgenomen van hen. Dit bewijs is onvolledig, want je moet tevens aantonen dat dezelfde mentaliteit óf elders afwezig was óf geen invloed uitoefende. Herodotos heeft in de gaten dat een vergelijking op zichzelf onvoldoende is, want hij wijst erop dat de besnijdenis alleen bij de Egyptenaren en Kolchiërs voorkomt, en dat de linnentechniek alleen door deze twee volken wordt gebruikt.

De tweede valkuil die hij vermijdt is die van een te smalle selectie van vergelijkingspunten. Hij kijkt naar heel uiteenlopende verschijnselen: fysieke kenmerken, gewoontes, taal en technieken. Dat hij ongelijk heeft, ligt daarom minder aan zijn methode dan aan het feit dat hij deze toepaste op onjuiste gegevens. Er is bijvoorbeeld geen taalkundige overeenkomst.

In de negentiende eeuw dachten wetenschappers na over de grenzen van de vergelijkbaarheid. De evolutionisten accepteerden bijvoorbeeld vergelijkingen op hetzelfde culturele niveau, waarbij ze diverse niveaus van beschaving aannamen: wildernij, barbarij, beschaving. Op elk van die niveaus waren vergelijkingen toegestaan. Marxisten achtten vergelijkingen zinvol zolang ze dezelfde productiewijze betroffen.

Om het nog even te hebben over verwantschap als oorzaak van  overeenkomst: men hoefde geen racist te zijn om in te stemmen met het criterium dat het zinvoller was informatie van verwante dan van niet-verwante volken te benutten (waarbij ik de vraag wat verwantschap is, even laat rusten). Omdat Spartanen en Kretenzers behoorden tot de Griekse stam der Doriërs, kan een gebruik uit Sparta beter worden vergeleken met een gebruik uit Kreta dan met gebruiken uit Indië.

Dit laatste klinkt logisch, hoewel men kritisch moet blijven met argumenten gebaseerd op etnische verwantschap. Zo heeft het wonderlijke Romeinse gebruik ieder jaar niet één, maar twee hoogste magistraten te kiezen, de consuls, weliswaar parallellen bij de naburige Samnieten, maar lijkt het in feite te zijn gebaseerd op de suffeten uit Karthago.

[Wordt vervolgd]

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Hypothetische geschiedschrijving

Weinig denkers hebben zo’n grote invloed gehad op het wetenschappelijk denken als Isaac Newton. Zijn tijdgenoten waren danig onder de Read more

Droysen

De bestudering van het verleden lijkt wat op een pakhuis waarin van alles en nog wat ligt, Kreuz und Quer door elkaar. Read more

Topiek

Severus van Antiochië – die overigens niet kwam uit Antiochië maar in 465 werd geboren in Sozopolis in Klein-Azië – was geen Read more

De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more