Teksten en vondsten (2)

Thuin
11 november 2020

[Dit is het tweede deel van een stukje over de wijze waarop archeologische vondsten kunnen worden gebruikt om teksten te toetsen. In het eerste deel noemde ik dat je eerst moet vaststellen wat de strekking van de tekst is, dat je daarna moet nadenken over de toegestane onderzoekswegen (heuristieken) zijn en dat je tot slot moet formuleren wat de toetsing daarvan zou kunnen zijn.]

Een voorbeeld: Polybios beschrijft dat, toen koning Antiochos III de Grote in 206 v.Chr. de stad Griekse Baktra in het noorden van Afghanistan belegerde, een van de verdedigers erop wees dat oorlog tussen de Grieken vooral de hordes barbaren, die de beschaving wilden overrompelen, in de kaart zou spelen. Dit is een van de weinige teksten over de ondergang van Grieks Baktrië en ze documenteert dus barbaarse dreiging. In alle geschiedenisboekjes staat dan ook dat deze buitenpost van de klassieke cultuur onder de voet is gelopen door Centraal-Aziatische nomadenstammen. Maar…

  1. Polybios presenteert deze informatie in een toespraak waarin de verdediger elk argument aanvoert dat hem te pas komt. De toespraak kan door Polybios zijn verzonnen en zelfs als we aannemen dat hij een reële toespraak adequaat samenvat, kan het zijn dat de spreker een gelegenheidsargument naar voren brengt. Ja, zelfs als hij het werkelijk meende, kan het gaan om een misverstand over de aard van de noordelijke steppebewoners. Je kunt over de strekking van de tekst en de betrouwbaarheid van de geboden informatie dus een boom opzetten.
  2. Het is niet gebruikelijk de bewoners van de gebieden buiten de Grieks-Romeinse wereld nog te typeren als barbaren en vernietigingsdrang in de schoenen te schuiven. Natuurlijk waren er conflicten, maar de relaties tussen sedentaire stadsbewoners en nomadenstammen was complex. “De barbaar wil alles kapotslaan” is een niet-toegestane verklaringsrichting. Maar je kunt over deze negatieve heuristiek een boom opzetten.
  3. Welk archeologisch bewijsmateriaal is er voor vernietiging van de Griekse nederzettingen in Baktrië door steppenomaden? De oostelijke stad Ai Khanum is door mensenhanden verwoest, maar bij nader inzien is daar een stormram ingezet en dat lijkt geen nomadenwerk. Opnieuw: je kunt een boom opzetten.

Het is dus erg moeilijk archeologische vondsten te benutten om de historiciteit van een persoon of een gebeurtenis (in dit geval: nomaden vernietigden Baktrië) te verifiëren. Ik zeg niet dat het nooit kan, maar je moet op alle drie de bovenstaande vragen een beredeneerd antwoord geven.

Hoe het kan, zien we in de discussie over Caesars aanwezigheid in Belgica. De Romeinse generaal vermeldt het bestaan van eenhoorns benoorden de Alpen en daaraan kunnen we nog toevoegen dat hij ook refereert aan de praatjes van de beroepsfantast Xenofon van Lampsakos. De Belgische archeoloog Hugo Thoen wees er al lang geleden op dat het frappant was dat er nooit bewijs is gevonden voor Caesars aanwezigheid in noordelijk Gallië, terwijl dat wel geleverd kon worden voor Centraal Gallië. Thoen formuleerde de provocerende stelling dat Caesars verslag van zijn noordelijke expedities diende te worden gelezen als fantasie. (Hier is een erg goed interview.)

Now we’re talking. Thoen verbond alle drie niveaus van de interdisciplinaire discussie.

  1. Wat is de strekking van de tekst? Bedoelt Caesar zijn verslag als feitelijk? Zo ja, wat doet die eenhoorn daar? Zo nee, wanneer hebben de Romeinen de Lage Landen dan veroverd?
  2. “Je mag de tekst niet lezen alsof ze is bedoeld als feitelijk accuraat” versus “Caesar zag zijn teksten als betrouwbaar rapport”: een kristalheldere negatieve en een positieve heuristiek. Hierover viel te discussiëren…
  3. … en wel aan de hand van concrete vondsten, wanneer die er zouden zijn.

Ik heb er, na de ontdekkingen in Thuin, al op gewezen dat nu eindelijk de mogelijkheid ontstond de discussie op zinvolle wijze te voeren. Dankzij de ontdekkingen in Hermeskeil en Kessel zijn de mogelijkheden daartoe groter geworden. De positieve en negatieve heuristieken zijn aan het veranderen en daarmee kunnen we eindelijk eens beginnen te kijken of we iets zinvols kunnen zeggen over (a) Caesars bedoelingen en (b) de mogelijkheid archeologische vondsten te benutten om een in teksten genoemde gebeurtenis te verifiëren.

Alleen: we wachten nu al vijf jaar op die discussie. Het is alsof wetenschappers voor de eerste keer zwaartekrachtgolven meten en er vervolgens niets mee doen.

Dit alles roept de vraag op of de archeologen de discussie überhaupt willen. Zijn ze wel geïnteresseerd in de relatie tussen tekst en vondst? Laat ik eens een kwaadaardige insinuatie doen: waarom zouden archeologen zich eigenlijk verdiepen in de complexiteit van tekstuitleg en de even complexe relatie tussen teksten en vondsten? Het gaat toch prima zoals het nu gaat? Momenteel nemen archeologen teksten gewoon letterlijk, en weliswaar doen ze dat met een naïviteit waar zelfs de meest evangelische christen zich voor schaamt, maar aangezien archeologen vooral worden beoordeeld door archeologen, struikelt niemand daar over. Waarom zou je het jezelf moeilijk maken?

Terzijde: ik focus nu op archeologen, maar soortgelijke opmerkingen zijn te maken over andere oudheidkundigen. Classici weten voldoende van de sociale wetenschappen om te weten dat ze niet méér moeten weten. Of neem de oudhistoricus die, ongehinderd door kennis van de archeologie, oliedomme dingen zegt over vondsten. Niemand onderzoekt de collega-disciplines écht. Weliswaar klinkt al minstens veertig jaar de roep om interdisciplinariteit, maar alle betrokkenen weten dat als je dat wérkelijk wil, (a) je allerlei aannames moet gaan toetsen, (b) je niet meer toekomt aan het schrijven van wetenschappelijke artikelen en (c) je de wetenschappelijke opleidingen weer op lengte moet brengen.

Anders gezegd: veel oudheidkundige artikelen zijn gebaseerd op twijfelachtige aannames, veel oudheidkundige conclusies zijn voorbarig en veel oudheidkundige debatten zijn zinledig. Dit valt niet weg te praten met een opmerking over de postmoderne problematisering van het waarheidsbegrip (het gaat immers om professionaliteit) of het  “polyparadigmatische karakter van de geesteswetenschappen” (wetenschap begint daar waar je de kwaliteit van de paradigma’s gaat toetsen).

De reëel bestaande universiteit staat haaks op wat wetenschappelijk noodzakelijk is en ik weiger te doen alsof dat normaal is. Ik wil echter niet negatief eindigen. Het Caesar-onderzoek biedt een kans om de heuristieken te toetsen. Organiseer dat congres nou eens. Ik mag dan weigeren te geloven dat het normaal is dat academici door publicatiedwang niet toekomen aan onderzoek naar hun grondslagen, maar ik weiger ook te geloven dat ze werkelijk niet meer geïnteresseerd zijn in wetenschap.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Vergelijkingen en relevantie

In mijn vorige stukje vertelde ik dat de Oudheid voor ons relevant kan zijn, maar wees ik er ook op dat als Read more

Continuïteit en relevantie

Sommige antieke teksten illustreren aspecten van de oude wereld die hun invloed lange tijd, soms zelfs nog steeds, hebben doen Read more

Verhalende geschiedschrijving

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert Read more