Teksten en vondsten (1)

Jeruzalem
11 november 2020

Wat is een oudheidkundig bewijs? Eerste voorbeeld: het bestaan van koning Salomo. Die kennen we vooral uit het Deuteronomistische Geschiedwerk en uit teksten die daarvan zijn afgeleid. Dat is weinig materiaal en daarom is de vraag gewettigd of hij wel een historisch personage is. Je kunt nu zeggen dat één bron geen bron is en bevestiging eisen uit ander bewijsmateriaal. Je zoekt dan dus naar verificatie. Je kunt het ook omkeren en zeggen dat je het bestaan van Salomo aanvaardt tot je tegenbewijs hebt. Falsificatie. Voor beide standpunten valt iets te zeggen en het komt erop aan dat je je keuze moet kunnen verantwoorden.

Tweede voorbeeld: veel antieke teksten vermelden zaken die simpelweg niet waar kunnen zijn. Herodotos weet dat Xerxes ten strijde trok tegen de Grieken na een droomgezicht. Kallimachos meldt dat toen koningin Berenike wat haarlokken had geofferd, die als sterrenbeeld aan de hemel verschenen. Julius Caesar schrijft in de Gallische Oorlog dat er ten noorden van de Alpen eenhoorns voorkomen. Volgens de evangelist Johannes veranderde Jezus water in wijn. Cassius Dio meldt dat keizer Marcus Aurelius een Egyptenaar in dienst had die regen kon maken. Zulke dingen geloven wij niet – maar andere informatie uit dezelfde bronnen geloven we wel. Opnieuw: je moet in staat zijn te kunnen uitleggen waarom je het ene deel van een tekst wel en het andere deel van dezelfde tekst niet gelooft.

Kortom, wie een tekst bestudeert, moet allerlei keuzes kunnen verantwoorden vóór hij concludeert dat een antieke auteur zijn tekst heeft bedoeld als beschrijving van iets dat feitelijk waar was. Classici en oudhistorici zijn getraind om zulke keuzes te beredeneren. Ze weten dat de mensen in de Oudheid de grenzen tussen waar en onwaar anders trokken dan wij. Een antieke schrijver kon elementen toevoegen die hij nodig had om zijn verhaal rond te breien.

Nog wat meer voorbeelden? Hier zijn ze. Tacitus schrijft ergens dat Germanicus een vlootoperatie uitvoerde met duizend schepen. Niet omdat dat echt gebeurd zou zijn, maar omdat Tacitus de Romeinse commandant wilde typeren als homerische held. Dezelfde Tacitus modelleert de laatste ogenblikken van de Romeinse keizer Galba op die van de Trojaanse koning Priamos. Tacitus voorziet verder de Romeinse legioenen van de stereotype karaktertrekken van de provincies waarin ze dienen. Allemaal literaire aankleding en dat terwijl Tacitus, naar onze smaak, nog een vrij zakelijke auteur is. Maar ook hij liegt de waarheid.

Tekstuitleg is hierdoor nogal lastig. Het is tastend zoeken. Het is geen kwestie van “dit is de enig juiste interpretatie”. Je kunt in principe zelden verifiëren dat een tekstinterpretatie juist is. Hooguit kun je zeggen dat deze of gene uitleg overtuigender is dan de andere. Erg veel meer zit er niet in.

Dit heeft – en nu kom ik ter zake – gevolgen voor de archeologie. (Ook voor de andere oudheidkundige disciplines, maar daar heb ik het vandaag even niet over.) Je kunt niet zonder meer als norm nemen dat je de historiciteit van een in teksten genoemde persoon of gebeurtenis pas aanvaardt als je een bevestiging hebt in het vondstmateriaal. Verificatie vanuit de vondsten is een te hoge eis, die miskent dat we te weinig data hebben.

Nu is niet te loochenen dat de vraag naar archeologische toetsing van bepaalde uit geschreven teksten bekende personen en feiten regelmatig voorkomt. Er zijn dan drie stappen te zetten.

  • Bepalen wat de strekking is van de tekst. Is de gegeven informatie wel bedoeld als feitelijk accuraat? Zoals gezegd is tekstuitleg een kwestie van tastend zoeken en kun je niet zomaar zeggen “dit is de enig juiste interpretatie”.

Aannemend dat we concluderen dat de tekst als feitelijk accuraat bedoeld is geweest, komen twee andere stappen in beeld.

  • Nadenken over toegestane interpretatierichtingen. Sommige verklaringen gelden als acceptabel en andere niet: de positieve en de negatieve heuristiek. Een oudheidkundige mag een wonderverhaal bijvoorbeeld lezen als een literair motief (positieve heuristiek) naar niet als bewijs voor een tijdelijke opschorting van de natuurwetten (negatieve heuristiek).
  • Zoeken welke bevestiging, gegeven de strekking van de tekst en gegeven de heuristieken, we zouden willen hebben in de archeologische vondsten.

Dit is hoe de discussie in elkaar steekt. Zo meteen meer.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Vergelijkingen en relevantie

In mijn vorige stukje vertelde ik dat de Oudheid voor ons relevant kan zijn, maar wees ik er ook op dat als Read more

Continuïteit en relevantie

Sommige antieke teksten illustreren aspecten van de oude wereld die hun invloed lange tijd, soms zelfs nog steeds, hebben doen Read more

Verhalende geschiedschrijving

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert Read more