Max Weber

De beslissendheid van Marathon

15 november 2020

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door cavalerie had opgegeven, versloegen. De overwinning werd nog eeuwenlang door de Atheners herdacht, en niet zonder reden, want de Atheners hadden gestreden tegen een dubbele overmacht.

In de negentiende eeuw werd de veldslag de inzet van een rare discussie. Op de achtergrond speelde het beruchte sjabloon van aan de ene kant de despotische, wrede, mystieke oosterling tegenover de vrijheidslievende, menselijke en rationele Griek. De gedachte was dat de Perzische Oorlogen meer dan zomaar een militair conflict waren geweest: twee culturen hadden tegenover elkaar gestaan. Als de Grieken zouden hebben verloren, zo werd geredeneerd, zou Xerxes de democratie van de Atheners hebben vervangen door een intolerante tirannie, waardoor de democratie, de filosofie en de vrijheid in de kiem zouden zij gesmoord. Marathon, zo was de aanname, zou de Grieken tot inspiratie hebben gediend: de zege had getoond dat verzet tegen de Perzen zinvol was. Omdat men in de negentiende eeuw ook meende dat de Griekse cultuur de bakermat vormde van de latere, Europese cultuur, kon gelden dat Europa in Marathon was geboren. In de woorden van de Britse filosoof John Stuart Mill:

Deel:
Nederlands historicus is niet verder gekomen dan de negentiende eeuw

Vergelijkingen en relevantie

15 november 2020

In mijn vorige stukje vertelde ik dat de Oudheid voor ons relevant kan zijn, maar wees ik er ook op dat als je dit beargumenteert door invloed van de oude samenleving op de onze te claimen, je die invloed zult moeten aantonen. Eén van de dingen die je dient te bewijzen is een continuïteit van dat denkbeeld, van die institutie of van dat gebruik. Dat blijft vaak achterwege. Auteurs als Tom Holland, Paul Cartledge en Anthony Pagden nemen bijvoorbeeld aan wat ze dienen te bewijzen. Klinkklare kwakgeschiedenis.

Ik rondde mijn stukje af met de opmerking dat een andere manier om de Oudheid relevantie toe te kennen het maken van vergelijkingen was. Dit doen we in feite de hele dag door. We schrikken van de gebeurtenissen in Charlottesville omdat we meteen een parallel trekken met de gebeurtenissen in het Derde Rijk. Onze neiging tot het zien van overeenkomsten zit echter nog dieper. Zelfs als we een simpel woord als “stad” gebruiken, is al een vergelijking geïmpliceerd met andere nederzettingen.

Deel:

Continuïteit en relevantie

15 november 2020

Sommige antieke teksten illustreren aspecten van de oude wereld die hun invloed lange tijd, soms zelfs nog steeds, hebben doen voelen. De wetten uit Eshnunna vertegenwoordigen een alternatief voor gewoonterecht, namelijk codificatie, waarop wij voortbouwen. De Ilias documenteert onze norm dat privileges verplichten én onze zin voor het tragische. En zo voort.

Maakt dit alles de bestudering van de Oudheid relevant? Dat is alleen vol te houden, geloof ik, als je aanneemt dat dingen in hun ontstaansfase puur en zuiver zijn en dat je de kern van een verschijnsel het beste begrijpt door de oorsprong te bekijken. Mij lijkt dat baarlijke nonsens. De eerste wetten zijn niet zuiverder dan latere en je begrijpt de aard van wetgeving ook niet beter als je de tabletten uit Eshnunna bekijkt. Hooguit begrijp je beter welke bezorgdheden mensen ertoe brachten informele rechtsvinding te vervangen door een meer geformaliseerde praktijk. Dat is leuk om te weten, maar maakt het niet meteen relevant.

Deel:
Kleio, muze van de geschiedvorsing (El Djem, Huis van de Maanden)

Verhalende geschiedschrijving

14 november 2020

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert te verklaren, dat wil zeggen dat je verbanden legt met andere gebeurtenissen. Daarvoor kennen historici verschillende verklaringsmethoden. Zo kun je proberen wetmatige verbanden te leggen. Als de bevolking in omvang toeneemt, stijgt – als andere zaken hetzelfde blijven – de graanprijs. Een andere vorm van verklaren is de hermeneuse: je verklaart iets door je in mensen uit het verleden in te leven. De moeite die Justinianus zich getroostte om met voormalig prostituee Theodora te trouwen, kan alleen betekenen dat hij echt van haar hield.

Een derde benadering staat bekend als vergelijkend-oorzakelijk of comparativistisch en wil zeggen dat je verbanden opspoort door middel van vergelijking. Als de romanisering en de arabisering van het Iberische Schiereiland identieke processen waren, alleen verschillend doordat de Romeinse belastingdruk hoger was, is dat de sleutelfactor waardoor de grondig geromaniseerde bevolking de Visigoten assimileerde en de aan minder dwang onderworpen en minder gearabiseerde bevolking de reconquistadores niet kon assimileren. Over de vierde verklaringswijze, het modelleren met computers, valt een boom op te zetten en dat laat ik nu rusten.

Deel:
De binnenkant van de sarcofaag van Simpelveld (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

De positivistische misvatting

13 november 2020

Wat weten we over de hierboven afgebeelde “dame van Simpelveld”? Je kunt het opsommen. Ze woonde in de buurt van het Zuid-Limburgse Simpelveld, want daar is de sarcofaag gevonden. Ze droeg sieraden, want die zijn in de grafkist aangetroffen. Ze is gecremeerd, want haar stoffelijke resten lagen daar eveneens in. Dit zijn de harde feiten.

Harde feiten: dat was wat de Franse filosoof Auguste Comte aan het begin van de negentiende eeuw centraal wilde stellen in de menswetenschappen. Die harde feiten moesten dan worden verbonden in de wetmatige verbanden. Hij noemde deze aanpak “positivisme”. Ook de nadruk op waarneembare feiten wordt aangeduid met deze uitdrukking. Wat ik opsomde in de eerste alinea zijn dan de positieve feiten over de dame van Simpelveld.

Deel:
Donald Rumsfeld

Onbekende onbekenden

13 november 2020

Velen hebben de draak gestoken met de woorden die de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld ooit wijdde aan de “known unknowns” en de “unknown unknowns”. Hij kreeg er zelfs een satirische prijs voor. Dat was hoogst onverdiend, en niet alleen omdat zijn uitspraak in feite een gedicht vormt:

The Unknown As we know, There are known knowns. There are things we know we know. We also know There are known unknowns. That is to say We know there are some things We now know we do not know. But there are also unknown unknowns, The ones we don’t know We don’t know.

Deel:

De moord op Kennedy, of: wat is een feit?

13 november 2020

Wat is een historisch feit? Het is eigenlijk een dubbele bewering. Om te beginnen is het een bewering over iets dat op een bepaald tijdstip is gebeurd (“op 18 september 1977 nam de Voyager 1 de eerste foto waarop de aarde en de maan tegelijk waren te zien”); daarnaast is het een bewering over die eerste bewering, namelijk dat deze waar is. Mocht u de foto in kwestie willen zien, dan is die hier, maar mijn punt is dat het zo gemakkelijk niet is te bepalen of een bewering over het verleden waar is.

De Warren Commission

Een voorbeeld is de moord op president Kennedy, waarover ongelooflijk veel bekend is. En tegelijk onvoldoende. Al vrij snel nadat Johnson president was geworden, stelde hij de Warren Commission in om onderzoek te doen naar de dood van zowel zijn voorganger als diens moordenaar, Lee Harvey Oswald. De commissie concludeerde uiteindelijk dat er één schutter was geweest. Maar wat deed ze besluiten tot deze conclusie?

Deel:

Academisch aanbod en publieke vraag (2)

12 november 2020

Wetenschappers die hun inzichten willen delen, zo vat ik even het stukje van Ionica Smeets samen waaraan ik mijn vorige blogje wijdde, kunnen het beste kijken naar de bij het publiek bekende grotere thema’s. Dat zijn, zoals Smeets afrondt, “de verzoeknummers die we als wetenschappers best eens wat vaker mogen doen.”

Volgens mij zit er een koe van een probleem in de woorden “we als wetenschappers”. Misschien is het in Smeets’ vakgebied, de wiskunde, anders dan in het mijne, maar geesteswetenschappers worden getraind in allerlei kleine specialismen en precies de eigenschappen die hun het respect opleveren van hun collega-wetenschappers maken het hun onmogelijk zichzelf goed uit te leggen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen – ik denk aan een Frits van Oostrom – maar dat zijn bijna altijd mensen die hun wetenschappelijke vorming hebben gehad vóór de kaalslag in de jaren tachtig, toen de opleidingen werden gereduceerd tot vier jaar, ofwel drie jaar minder dan nodig is. De academische reactie was terugtrekking op nóg kleinere specialismen en dus nóg minder kans het grote publiek te bereiken. De humaniora, die ooit de samenleving algemene vorming hadden te bieden, verschraalden tot geesteswetenschappen en specialiseerden zich de irrelevantie in.

Deel:
Het Meisje van Yde (©Drents Museum, Assen)

Academisch aanbod en publieke vraag (1)

12 november 2020

“Wetenschappers”, schrijft hoogleraar wetenschapscommunicatie Ionica Smeets dit weekend in haar wekelijkse column in De Volkskrant, “mogen best wat vaker voldoen aan de vraag om verzoeknummers”. Ze eindigt haar stukje met een kristalhelder, door de Vlaamse filosoof Jean Paul Van Bendegem bedacht voorbeeld: de fictieve discipline “Buitenlandse reizen”. Haar eerste beoefenaren

ontdekken dat reisgidsen een belangrijke factor zijn bij buitenlandse reizen. In de loop der jaren verdiept het onderzoek zich en ontstaan er groepen onderzoekers die zich helemaal specialiseren in de vormgeving van reisgidsen. Eén getalenteerde wetenschapper verdiept zich jarenlang in drukinkten.

Deel:
Nog steeds niet door Trouw gerectificeerde prietpraat.

Patronen van misinformatie (5)

12 november 2020

Ik heb in deze reeks al enkele patronen beschreven waardoor slechte informatie over de Oudheid in omloop komt: verouderde ideeën die blijven circuleren, archeologische aandachttrekkerij die nergens toe wordt getrokken, de echoput van de classici, exacte wetenschappers die het zonder literatuuronderzoek beter denken te weten, de neiging van wetenschappers – niet alleen oudheidkundigen – om voorbarige conclusies de wereld in te gooien, politieke belangen. In dit stukje nog wat andere zaken en ik denk dat we moeten beginnen met onhandigheid.

Onhandigheid

De filoloog, historicus of archeoloog die zich ergert als iemand zonder vooropleiding zich uitlaat over de oude wereld, heeft een punt. Hoewel een vakopleiding noch de enige noch een voldoende weg is naar kwaliteit, helpt ze je wel in de goede richting. Oudheidkunde is een vak. Opvallend is dat dezelfde oudheidkundige die enig respect vraagt voor zijn vakkennis, meent geen vakkennis nodig te hebben als het gaat om wetenschapscommunicatie.

Deel: