Vergilius (Bardo-museum, Tunis)

Een stamboom voor Vergilius

14 april 2021

Wanneer een oudheidkundige een tekst van Vergilius wil raadplegen, kan hij of zij naar zijn of haar boekenkast of naar een bibliotheek gaan en een editie tevoorschijn halen. Het is echter niet zo eenvoudig als het op het eerste gezicht lijkt: er bestaat namelijk helemaal geen eenduidige uitgave van Vergilius’ werk. Afgezien van het feit dat Vergilius vermoedelijk nog niet klaar was met de Aeneis toen hij stierf: Er is er geen originele tekst uit zijn tijd bewaard gebleven. En dit geldt voor de gehele oudheid en nog lang daarna: er zijn geen originele teksten uit de tijd van de auteur, en zeker geen auteursexemplaren.

Overschrijffouten

Alle teksten uit de oudheid zijn alleen bewaard gebleven omdat zij steeds opnieuw werden overgeschreven, vooral in kloosterbibliotheken. En daar beginnen de problemen: als je overschrijft, ontstaan er fouten. Stel dat een kopiist één fout per bladzijde maakt, maar 10% van de fouten van zijn voorgangers corrigeert. In een tekst van 100 bladzijden heeft het eerste exemplaar 100 fouten, het tweede 190, en het derde al 271.

Deel:
Justinianus kondigt de codificatie van het Romeins Recht aan. Miniatuur uit de Mainzer editie van 1477, waarvan een exemplaar (vastgebonden aan een ketting) is te zien in de Librije van de Walburgiskerk in Zutphen.

Interpolationenforschung

15 november 2020

Een van de fundamenteelste vormen van oudheidkundig onderzoek is de tekstconstitutie: het zo goed mogelijk benaderen van de oorspronkelijke tekst van onze antieke bronnen. Daarbij worden middeleeuwse handschriften vergeleken en aan de hand van fouten wordt gekeken wie wat van wie heeft overgeschreven. Zo kunnen verloren gegane handschriften worden gereconstrueerd en die kunnen op hun beurt worden gebruikt om nog oudere handschriften te reconstrueren. U leest er hier meer over of u kunt dit filmpje bekijken.

Maar er is nog een probleem: wat als de gereconstrueerde tekst zélf al aanpassingen bevat ten opzichte van een ouder origineel? Neem de Digesten, de vijftig delen tellende verzameling van Romeins juristenrecht. Keizer Justinianus, die het in de zesde eeuw n.Chr. liet optekenen, eiste ook dat tegenspraken werden verwijderd, dat verouderde passages werden gewied en dat onvolkomenheden werden weggewerkt. We hebben dus te maken met een bewerkte, vroeg-Byzantijnse uitgave van opinies van oudere juristen. Zulke bewerkingen heten interpolaties en oudheidkundigen hebben veel energie besteed aan het opsporen van zulke aanpassingen en het reconstrueren van de oorspronkelijke tekst.

Deel:

De vier families van de Koran

15 november 2020

Ik heb al vaker geblogd over de Lachmannmethode: de methode waarmee de vervaardigers van een tekstuitgave door middel van schrijffouten of afwijkende spellingen een stamboom (“stemma”) opstellen om een tekst te reconstrueren die zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst komt. Die gereconstrueerde tekst heet het archetype. Daarnaast heb ik al geblogd over de bestudering van heel oude Korans, waarvan sommige onwaarschijnlijk vroeg zijn gedateerd. Twee onderwerpen die me boeien dus. Daarom was ik blij afgelopen zondag in Leiden een lezing te kunnen bijwonen van taalkundige Marijn van Putten, die allebei de onderwerpen behandelde. Dat ik aanwezig kon zijn, stemt tot dankbaarheid, want door de corona-maatregelen konden er maar veertien toehoorders zijn.

Vier oer-Korans?

Van Putten legde het traditionele verhaal uit. In 632 overleed Mohammed, waarna kalief Abu Bakr de openbaringen liet opschrijven. Zestien jaar later, rond 650, liet kalief Othman een standaard-Koran maken: vier exemplaren voor de vroeg-islamitische steden Medina, Basra, Koefa en Damascus. Alle Korans gaan, volgens de traditie, terug op dit viertal.

Deel:

Conjecturen en kritische apparaten

15 november 2020

De Lachmannmethode is de methode waarmee filologen vaststellen hoe antieke teksten, die we vooral kennen uit middeleeuwse handschriften, er precies uit moeten hebben gezien. De truc is kopiistenfouten te gebruiken om een stamboom van handschriften te maken. Daar blijft het werk van filologen echter niet toe beperkt, zoals blijkt uit een voorbeeld dat ik ontleen aan de Anabasis, de biografie die de Grieks-Romeinse auteur Arrianus wijdde aan Alexander de Grote.

Hij meldt dat bij de stad Babylon een kanaal lag en dat heet in de handschriften nu eens Pollakopas en dan weer Pollakottas. Wie met de Lachmannmethode een archetype reconstrueert, komt er niet echt uit. Er zijn niet voldoende handschriften om één variant de voorkeur te geven. Het woord is niet Grieks, dus dat helpt ook al niet. De filoloog zal op dit punt een keuze moeten maken. Gelukkig is dat niet moeilijk, want het kanaal is bekend uit kleitabletten en heet daarin Pallukkatu. We mogen aannemen dat Arrianus een correcte vorm heeft gebruikt en dat er twee groepen handschriften zijn ontstaan doordat een kopiist het ongebruikelijke woord verkeerd las. Het verschil tussen π en ττ is immers niet zo heel erg groot. De tekstcriticus zal daarom “Pollakottas” beschouwen als authentiek.

Deel:

De Lachmannmethode: Herodotos

13 november 2020

Hoe weten wetenschappers nou wat ze weten? Wat maakt oudheidkunde tot een wetenschap? Ik denk dat het belangrijk is dat we dit soort dingen uitleggen. Niemand schiet er immers iets mee op als deze of gene u vertelt wat er in de Oudheid is gebeurd of hoe men dacht of handelde. Dat zoekt u immers wel op het internet op. Een wetenschap die haar naam waard is, legt zich professioneel uit en toont het wetenschappelijk proces.

In het volgende filmpje legt classicus Hein van Dolen uit hoe het mogelijk is dat we na vijfentwintig eeuwen nog altijd de Historiën van Herodotos kunnen lezen. Antieke literaire teksten zijn immers overgeleverd in middeleeuwse handschriften vol kopiistenfouten, maar toch kunnen classici de oudere voorbeelden reconstrueren. Dit is de beroemde Lachmannmethode. Wat dat is, ziet u hieronder.

Deel:

De Lachmannmethode

13 november 2020

We hebben weinig teksten uit de Oudheid over. Wat we wél hebben, zijn kopieën uit de Middeleeuwen, die echter vol schrijffouten zitten. Lange tijd hebben oudheidkundigen gedacht dat hoe ouder de handschriften waren, hoe kleiner de kans was op vergissingen. Daar is wel iets voor te zeggen, maar in de Renaissance realiseerde de Italiaanse geleerde Angelo Poliziano zich dat dit niet het laatste woord behoeft te zijn.

Stel je voor dat een Romeinse schrijver twee klerken heeft, een nauwkeurige en een slordige, en dat die elk een kopie maken van een tekst. Latere generaties lazen die teksten, ze sleten, en er kwamen kopiisten die ze opnieuw overschreven, waarna de oude kopieën werden weggegooid. In de vijfde eeuw n.Chr., toen er een einde kwam aan de antieke overschrijfactiviteit, waren er zo twee families van manuscripten, een die was afgeleid van de slordige kopie en een die afstamde van de nette. In de Vroege Middeleeuwen gingen de meeste manuscripten verloren, maar in de tijd van Karel de Grote kwamen er weer kopiisten, die toevallig een net exemplaar vonden en kopieerden, waarmee de tekst weer onder de mensen kwam en kopiisten kreeg, tot tijdens de Renaissance de eerste wetenschappelijke uitgave werd gemaakt. Wanneer nu een classicus anno vandaag een vierde-eeuws exemplaar zou vinden uit de slordige manuscriptenfamilie, zou hij daaraan, volgens het principe “ouder is beter”, de voorkeur moeten geven, hoewel het in feite gaat om een tekst vol slordigheden.

Deel: