De driehoofdige Gallische godheid Lugus (Musée Saint-Rémi, Reims)

MoM | De Gallische taal

24 mei 2021

Het oude Gallisch is wat ze een Trümmersprache noemen, een taal waarvan alleen wat sporen zijn overgebleven. De Galliërs, die ooit leefden op de Povlakte en in de regio die we nu Frankrijk noemen, zijn immers tussen 225 v.Chr. en 50 v.Chr. door de Romeinen onderworpen, waarna het Latijn de dominante taal van West-Europa werd. Anders dan in het oosten, waar het Grieks, Egyptisch en Aramees overleefden, verdwenen de westerse talen vrijwel geheel. Zodoende kennen we van het antieke vocabulaire maar zo’n duizend woorden. Het weinige bewijsmateriaal bestaat uit:

een klein maar nog groeiend aantal inscripties (zoals het loden plaatje van Rézé), een vrij groot aantal personennamen (Ambiorix, Vercingetorix…), een eveneens vrij groot aantal plaatsnamen (Noviomagus, Lugdunum…), met riviernamen als speciale categorie (Axona, Isara…), Indo-Europese oervormen, kanttekeningen in antieke teksten.

Een voorbeeld van dat laatste is de opmerking van de laatantieke auteur Orosius dat de Gaesatiërs (die ooit de Galliërs op de Povlakte te hulp schoten in een oorlog met Rome) geen stam waren maar een groep huurlingen, wat op zichzelf natuurlijk zomaar een losse claim is, maar wordt bevestigd doordat het woord gaiso “speer” betekent. Het zijn dus speerwerpers.

Deel:
Categoriën: Kelten, Prehistorie
Stamboom van de Indo-Europese talen (klik=groot)

MoM | Digitale historische taalkunde

22 maart 2021

Ik heb wel vaker geblogd over de Lachmannmethode, waarbij classici de fouten in middeleeuwse handschriften gebruiken om te zien welke manuscript van welk manuscript is afgeleid, eventueel verloren handschriften te reconstrueren en zo het origineel zo dicht mogelijk te benaderen. Als van de bladeren van een boom werk je via de takken terug naar de stam; zo werkt de classicus van de concreet voorhanden zijnde data terug naar verloren informatie. Dat de methode correct is, weten we doordat in de Egyptische woestijn papyri zijn teruggevonden met daarop teksten zoals ze volgens de reconstructie moesten zijn.

Dit idee, dat je aan de hand van wat je in het heden vindt terug kunt redeneren naar wat er vroeger moet zijn geweest, staat bekend als de fylogenetische stamboom. Die term komt uit de biologie: van de huidige diersoorten kunnen we terugredeneren naar uitgestorven voorouder-diersoorten. Ik heb me ooit door een bioloog laten vertellen dat de methode ook hier correct is gebleken: sommige vormen waarvan men had beredeneerd dat ze bestaan moesten hebben, zijn in fossiele vorm teruggevonden.

Deel:
Nehalennia (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Nehalennia

30 november 2020

Tweeduizend jaar geleden, toen Zeeland nog niet uit verschillende eilanden bestond maar uit één groot veenmoeras dat door hoge duinen tegen de zee werd beschermd, vereerden de inheemse bewoners van dit gebied een godin met de naam Nehalennia. Deze godin is misschien wel de meest bekende godheid van ons voorchristelijke verleden. Waar namen als Wodan en Donar de meeste mensen niet veel zeggen, heeft vrijwel iedereen van Nehalennia gehoord.

Ze is ons bekend door tientallen altaarstenen en votiefbeeldjes die in de afgelopen eeuwen uit de Oosterschelde zijn gevist. De godin wordt op deze stenen monumenten afgebeeld als een plechtstatige op een troon gezeten dame met een fruitmand in haar arm en een huilende hond aan haar zij. De altaarstenen dateren uit de Romeinse tijd en de votiefinschriften op deze stenen zijn dan ook in het Latijn geschreven. Haar naam daarentegen is overduidelijk niet Latijn en moet dus inheems zijn geweest. Uit de inscripties kunnen we opmaken dat Nehalennia door koopmannen en zouthandelaren werd aangeroepen om zeelui en vracht tijdens gevaarlijke reizen te beschermen. Verder is het enige dat we over deze geheimzinnige vrouw weten haar raadselachtige naam die lange tijd elke taalkundige verklaring trotseerde.

Deel:

Corona

22 november 2020

Het coronavirus dankt zijn naam aan de krans (in het Latijn: corona) rond de virusdeeltjes. Die informatie heb ik van Wikipedia dus als het niet klopt verspreid ik hierbij fake news. Erg veel wijzer word je van die omschrijving trouwens ook niet, want waar is de krans dan van gemaakt? Maar dit wordt geen medisch of biologisch verhaal, want het gaat me nu alleen om dat Latijnse woordje corona. Dat betekende in de Oudheid inderdaad ‘krans’, de hoofdtooi die bijvoorbeeld priesters  bij het offeren droegen. Pas in het middeleeuws Latijn ging corona ‘kroon’ betekenen, en veel Europese talen hebben dat woord toen in die betekenis geleend.

Maar we kunnen ook een stap terug in de tijd zetten. Want waar hadden de Romeinen hun corona vandaan? Die hadden het uit het Grieks, waar korônê al een oeroud woord was. Een enkele keer komt het daar ook voor in de betekenis ‘krans’, en in die betekenis hebben de Romeinen het woord dus overgenomen.

Deel:
Categoriën: Algemeen

Goropiseren

15 november 2020

Goroposiseren is een wat onaardige jargonterm. Ze is afgeleid van de naam van een zestiende-eeuwse geleerde, Jan van Gorp ofwel “Goropius”. Deze man is berucht geworden omdat hij de wonderlijkste etymologieën bedacht om te bewijzen dat het Nederlands ’s werelds oudste taal was. Die beruchtheid is te betreuren, want hij was ook een van de eersten die begreep dat talen een verleden hebben en dat de bestudering van talen licht kon werpen op dat verleden.

De bestudering van etymologieën kan inderdaad belangrijk zijn. Als je niet zou weten dat Rotterdam aan de Rotte lag, zou je het bestaan van dat riviertje én een belangrijke gebeurtenis uit de vroege geschiedenis van die stad kunnen afleiden uit de naam. Etymologie-studie kan ook belangrijk zijn bij de ontcijfering van dode talen. Je kunt er echter ook verschrikkelijk de mist mee ingaan.

Deel:

Historische taalkunde

15 november 2020

Je kunt niet alles leren, maar mag wel betreuren dat je opleiding zó kort was dat je cruciale dingen niet hebt meegekregen. Aan Aristoteles’ Organon, vermoedelijk de grootste filosofische prestatie uit de Oudheid, is tijdens mijn studie geen woord besteed, noch bij de colleges geschiedenis, noch bij filosofie. Ook over oudgermanistiek, d.w.z. de bestudering van de antieke en vroegmiddeleeuwse fase van de Germaanse talen, heb ik weinig gehoord. Ik denk eigenlijk: niets. Terwijl het vak toch niet zonder belang is. Onze taal is immers een mooi stuk antiek erfgoed en kennis daarvan is zeker voor oudheidkundigen die zich met Nederland en Vlaanderen bezighouden, niet bepaald betekenisloos.

Om mijn kennislacune te vullen las ik Lo, donk, horst van Jozef van Loon, emeritus hoogleraar in Antwerpen. Simpel samengevat toont hij aan dat het woord lo in de Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen verwees naar een cultuurbos, terwijl donk en horst het Frankische en het Saksische woord waren voor versterkingen in moerassige gebieden. Toen ik onlangs vanuit Vught door het Bossche Broek fietste naar Oeteldonk, begreep ik het meteen.

Deel: