Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten

12 juli 2021

Ik heb het regelmatig over de DNA-revolutie. Dat zou momenteel het belangrijkste thema in de oudheidkunde moeten zijn. Simpel gezegd: het bioarcheologische onderzoek toont dat mensen in het verleden opvallend mobiel waren en dat heeft vérstrekkende implicaties voor de bestudering van de oude teksten. Het zou misschien beter een “hermeneutische revolutie” kunnen heten, dan hadden was duidelijker waar het over gaat.

Deel:
Archaïsch leeuwtje (Antikensammlung, München)

De DNA-revolutie

16 november 2020

In de loop van de twintigste eeuw hadden oudheidkundigen verschillende verklaringen voor de permanente veranderingen binnen de antieke culturen. Eén daarvan, diffusie, hield in dat cultuuruitingen zich verspreidden doordat mensen ideeën, voorwerpen, gebruiken en instituties overnamen van hun buren. Als Griekse vaasschilders leeuwen gingen afbeelden, dieren die in Griekenland niet voorkwamen, zou dat motief wel zijn gekopieerd aan de oosterse kunst. Er is weinig reden hieraan te twijfelen.

Een ander mechanisme was evolutie: een interne ontwikkeling in een cultuur. Een voorbeeld is de steeds accuratere weergave van het menselijk lichaam in de Griekse beeldhouwkunst. Ook migratie, wisten oudheidkundigen, kon veranderingen verklaren, maar oudheidkundigen waren terughoudend met het inroepen van dit mechanisme. Eigenlijk viel alles te verklaren zonder volksverhuizingen.

Deel:
Een kaak uit Kessel, gebruikt voor isotopenanalyse (© Vrije Universiteit Amsterdam)

Isotopenonderzoek

12 november 2020

Ik heb al een aantal keren geschreven over de DNA-revolutie. Door het onderzoek naar zowel hedendaags als antiek genetisch materiaal is het mogelijk uitspraken te doen over bijvoorbeeld de relatie tussen de diverse leden van de Achttiende Dynastie van Egypte, waarvan de mummies over zijn. Ook kunnen we uitspraken doen over bepaalde antieke ziektes – Ötzi zou doodziek zijn geworden van melk – en het uiterlijk van mensen. Het belang van dit soort onderzoek voor het begrip van antieke migraties is eveneens groot.

Ook al spreken we van DNA-revolutie, dat is eigenlijk niet helemaal juist, want er is een tweede laboratoriumtechniek met een (minimaal voor migratie) even groot potentieel: het isotopenonderzoek. Dit vergt even wat uitleg maar de conclusies zijn echt leuk.

Deel:
Karthaags masker, eind zesde eeuw (Musée national du Bardo, Tunis)

DNA, Ieren, Etrusken, Karthagers en Chinezen

12 november 2020

Voor de oudheidkundige is het DNA-onderzoek nog vooral een belofte. Ik heb in eerdere stukjes enkele ontwikkelingen geschetst, maar die betroffen vooral de Prehistorie: hoe de mensheid wegtrok uit Afrika, de verspreiding van de landbouw en de migraties van de Indo-Europeanen. De conclusie is dat Europa in twee enorme golven bevolkt is geraakt: één golf van landbouwers en één golf van Indo-Europees-sprekenden.

Als we in de historische tijd aankomen, wanneer we geschreven bronnen krijgen, zijn de grote migraties al voorbij. Het DNA-onderzoek zal eerst verfijnder moeten raken vóór we veel verder kunnen kijken. Dat zal nog wel gebeuren, want het uitvoeren van tests wordt steeds meer routine (en goedkoper).

Deel:
Stele uit Nevsha (Archeologisch Museum van Varna)

De Indo-Europese migraties

12 november 2020

De vraag waarom de Indo-Europese talen op elkaar lijken, is in een kwaad licht komen staan doordat de nationaalsocialisten zich meester maakten van de hypothese dat de veronderstelde Urheimat, waar de Indo-Europeanen hadden gewoond voor ze naar alle windstreken waren gemigreerd, had gelegen op de Noordduitse Laagvlakte. In de nationaalsocialistische interpretatie waren de oerbewoners van dat gebied (de “Ariërs”) autochtoon, onvermengd met migranten die bij hen waren komen wonen, raszuiver en daardoor in allerlei opzichten briljant.

Er was een tweede reden waarom het onderzoek stokte. Weliswaar betwijfelde niemand dat de Indo-Europese talen op elkaar leken doordat ze afstamden van één oertaal, maar men had domweg onvoldoende gegevens om daarover werkelijk uitspraken te doen. Zoals we zagen, probeerde men eerst aan de hand van de gedeelde woordenschat enkele aspecten van het thuisland te reconstrueren – er waren bepaalde dieren en gewassen geweest, men had de ploeg gekend en men had er met karren gereden – en was zo’n reconstructie in principe archeologisch toetsbaar.

Deel:
“blond comme Hitler, mince comme Göring, grand comme Goebbels”

Oude talen, modern nationalisme

12 november 2020

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn eerste jaar aan de universiteit. Het leek wel alsof de stof altijd ophield op het moment dat ze interessant werd. Ik heb mijn handboek oude geschiedenis, Een kennismaking met de oude wereld van de Blois en Van der Spek, er nog even op nageslagen, en daar stond het inderdaad weer: de auteurs gebruikten woorden als “Indo-Europees” en “Semitisch”

omdat het nu eenmaal gewoonte is volken in te delen en te benoemen op grond van hun taal. De Semitische talen vertonen onderling een sterke verwantschap en hetzelfde geldt voor de verschillende onderafdelingen van de Indo-Europese taalfamilie. … De termen Semitisch en Indo-Europees hebben weinig te maken met ras of natie.

Deel:
Stamboom van het Aziatisch en Europees DNA (klik = groot; ©Archaeogenetics Research Group, universiteit van Huddersfield)

Prehistorisch DNA

12 november 2020

Misschien is het plaatje hierboven wel het mooiste dat ik de afgelopen tijd heb gezien. Het is een soort stamboom van het mitochondriaal DNA van de mensen in Europa. Het is misschien wat verwarrend omdat “oud” bovenaan staat en “jong” onderaan; archeologen zijn andersom gewend, want in een opgraving liggen de oudste lagen onderaan.

Zo’n 100.000 jaar geleden verlieten zo’n 150 tot duizend mensen (homo sapiens) Afrika en om het Midden-Oosten binnen te trekken. Hun afstammelingen vielen in twee groepen uiteen, die we M en N noemen en kunnen identificeren aan de hand van hun DNA. Groep M trok naar het zuiden van India en naar Australië, waar mensen wat trekjes hebben bewaard van de oorspronkelijke bewoners van oostelijk Afrika. Andere M-mensen trokken naar Siberië en belandden uiteindelijk in Amerika.

Deel:
Stamboom van het Aziatisch en Europees DNA (klik = groot; ©Archaeogenetics Research Group, universiteit van Huddersfield)

De eerste landbouwers

12 november 2020

Oudheidkundigen maken sinds de zeventiende, achttiende eeuw gebruik van drie soorten bewijsmateriaal: geschreven bronnen, materiële resten en parallellen in andere samenlevingen. Drie vensters op het verre verleden. Met het DNA-onderzoek, waar ik het gisteren al over had, gaat nu een vierde venster open. Ik rondde mijn vorige stukje af met een verwijzing naar de stamboom van DNA-groepen (hierboven) en vroeg uw aandacht voor de ongebruikelijke vertakking onder H. De verspreiding daarvan lijkt samen te hangen met de verspreiding van de landbouw.

Het ontstaan daarvan is een beetje een puzzel, die steeds verandert als er ergens oudere vondsten worden gedaan. De laatste keer dat ik het opzocht leek het erop dat ergens rond 9500 v.Chr. mensen aan de bovenloop van de Eufraat begonnen met de teelt van tarwe, meer precies eenkoorn en emmer. Na een eeuw of vijf werden de eerste schapen en geiten getemd in de Zagros– en Taurusbergen. Veeteelt is dus een latere ontwikkeling dan akkerbouw. Ruwweg tegelijk ontstond de eerste monumentale architectuur: ik blogde al eens over de fenomenale monumenten die zijn aangetroffen in Göbekli Tepe en Sanli Urfa. Vee en varkens volgden en het eerste aardewerk in het Nabije Oosten dateert van ruwweg 7000 v.Chr. In vijfentwintig eeuwen was de samenleving ingrijpend veranderd – archeologen noemen dat een revolutie.

Deel:
De Griekse tempel van Jandial bij Taxila

De positieve en negatieve heuristiek

12 november 2020

Ergens eind jaren tachtig verdiepte ik me als student bij een werkcollege in de persoon van Apollonios van Tyana, een Pythagorese wijze van wie de oude Romeinen meenden dat hij een reis had gemaakt naar de stad Taxila in de Punjab. Ik maakte toen ook kennis met de Indische tekst die bekendstaat als de Agamasatra van Gaudapada, waarin Apollonios en zijn leerling Damis worden genoemd. Deze aanwijzing dat Apollonios’ oostelijke reis een historisch feit was, was opgedolven door een fantasierijke onderzoeker die Graham Anderson heette maar een wat nuchterder onderzoeker, Simon Swain, opperde dat het een vervalsing was en dat vormde destijds het einde van de zaak.

Als ik het hier in Tunesië – lees: zonder dat ik het desbetreffende artikel kan raadplegen – goed herinner, bestond zijn argumentatie uit twee constateringen, namelijk enerzijds dat reizen over zulke afstanden zeldzaam waren en dat het dus op voorhand onaannemelijk was dat Apollonios zo ver oostelijk was geweest, en anderzijds dat de tekst circuleerde in een Indische stroming die wel meer vervalsingen op zijn naam had staan. Welbeschouwd is dat laatste niet meer dan een insinuatie. Zoiets kan alleen overtuigend klinken als de lezers al een beeld hebben van hoe de vork in de steel zit: mensen reisden destijds niet zo ver, oude Indiërs schreven geen teksten over Grieks-Romeinse filosofen, en zo voort en zo verder.

Deel: