Hurritische brief, gevonden in Tell Brak (Syrië; Museum van Deir ez-Zor)

Mitanni

9 juni 2021

In mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, laten we de Midden-Bronstijd achter ons en gaan we naar Mitanni. Als ooit het cliché “vergeten koninkrijk” van stal mocht worden gehaald, dan wel bij dit rijk. Het is in feite weinig meer dan een naam, een handvol archeologische resten en wat linguïstische hypothesen. Maar goed. We kunnen altijd de verschillende soorten informatie combineren en wanneer die elkaar bevestigen, kunnen we er misschien op vertrouwen niet ver van de historische waarheid te zijn.

Eerst maar dit: het is zo goed als zeker dat het centrum van Mittanni ergens aan de bovenloop van de rivier de Khabur lag, dus in het land tussen de Eufraat en de Tigris. De hoofdstad Waššukanni en de belangrijke steden Kahat en Taide zijn nog niet geïdentificeerd, maar het is redelijk zeker dat ze ergens in het zuidoosten van Turkije of het oosten van het huidige Syrië moeten liggen.

Deel:
Categoriën: Babylonië
Mentuhotep II, de grondlegger van het Middenrijk (Louvre, Parijs)

De Midden-Bronstijd

20 mei 2021

In de reeks over het handboek Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek moeten we het eens hebben over het tweede millennium. Er is een klimaatcrisis geweest en nu bevinden we ons in de Midden-Bronstijd, die we in Egypte associëren met het Middenrijk en in Mesopotamië met het Oud-Babylonische Rijk en het Oud-Assyrische Rijk. Het is ook de periode waarin de Indo-Europees-sprekenden Anatolië binnendringen en zich vestigen in de stad Hattusa, waaraan ze de naam Hethieten ontlenen.

Vroeg, Midden, Laat

Eerst een woord over de nomenclatuur. De populaire natuurmetafoor dat alle dingen ontstaan, groeien, bloeien en teloor gaan is klassiek-Grieks. Ze is te vinden bij onder andere Aristoteles. Antieke kunsthistorici gebruikten het beeld om de neo-klassieke stijl aan te duiden: na de klassieke periode was het vroege hellenisme een soort dood geweest. “Cessavit deinde ars,” schrijft Plinius, “de kunst hield toen op te bestaan”. Daarna bloeide ze echter weer op met die neo-klassieke kunst.

Deel:
Categoriën: Babylonië

Een inconsistente chronologie (2)

15 november 2020

In mijn stukje van vorige week maandag wees ik erop dat de uitbarsting van de Thera een geducht chronologisch probleem vormt. Er spelen ruwweg drie dingen. Eén: er is rond 1630 v.Chr. iets gebeurd waardoor veel stof in de atmosfeer kwam. Het lijkt te zijn gedocumenteerd in jaarringen en hoewel daarover discussie is, wordt het bevestigd door Babylonische Venus-observaties. Twee: die vulkaan is op een bepaald moment uitgebarsten, heeft een stad op het eiland verwoest en heeft as en puimsteen uitgebraakt die is gevonden tot in Egypte. Drie: als je afgaat op het aardewerk, is die rommel daar neergekomen na 1540.

Je kunt nu aannemen dat er twee uitbarstingen (eventueel van twee vulkanen) zijn geweest: de eerste rond 1630, gedocumenteerd in de jaarringen en de Venusobservaties, de tweede alleen bekend uit puimsteen in Egypte maar niet in de jaarringen. Dit is niet helemaal uit te sluiten. Je kunt je weersomstandigheden voorstellen – draaiende wind bijvoorbeeld – die ervoor zouden kunnen hebben gezorgd dat het puimsteen in één korte heftige uitbraak naar Egypte werd gelanceerd, terwijl de as daarna neersloeg in de Middellandse Zee en in noordelijk Afrika, een gebied waarvoor we (althans bij mijn weten) geen dendro-curve hebben. Dit mag dan denkbaar zijn, je bent wel bezig hypothese op hypothese te stapelen: eerst postuleer je een tweede uitbarsting, vervolgens postuleer je specifieke weeromstandigheden. Kortom, je verdubbelt het aantal feiten en vergroot het aantal hypothesen. Dat voelt niet lekker. In jargon: je snijdt je aan het Scheermes van Ockham.

Deel:
Wandschildering van twee antelopen, gevonden op Santorini (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

Een inconsistente chronologie (1)

15 november 2020

Santorini ofwel Sint-Irene is een klein eiland in de Egeïsche Zee. In de Oudheid heette het Thera. De bovenstaande muurschildering komt er vandaan. Ze is gevonden onder een enorme laag vulkanisch gesteente, uitgestoten toen de plaatselijke vulkaan uitbarstte, ergens in het tweede kwart van het tweede millennium v.Chr. Deze “Minoïsche uitbarsting” moet een enorme explosie zijn geweest, alleen vergelijkbaar met de Tambora-uitbarsting in 1815. Het uitgestoten puinsteen lijkt te zijn gevonden tot in de delta van de Nijl, er lijkt een donker laagje in de jaarringen uit deze tijd en er lijkt zó veel stof in de atmosfeer te zijn geweest dat de Venus-waarnemingen in Babylonië erdoor werden beïnvloed.

Dat maakt het een van de ijkpunten van de Bronstijd-chronologie, maar ik gebruikte in de vorige zin niet zonder reden driemaal het woord “lijkt”. We weten het allemaal nét niet zeker genoeg. Dus is er alle reden om te onderzoeken wanneer die vulkaan nu precies explodeerde, maar dat is zo gemakkelijk nog niet. De aardewerkdatering rond 1500 v.Chr. klopt zeker niet.

Deel:
Salamis

Je leest nooit slechts één tekst

15 november 2020

De zeeslag van Salamis vond plaats op 29 september 480 v.Chr. en de slag bij Marathon vond tien jaar eerder plaats. Over de maand waarin dat laatste gevecht plaatsvond, augustus of september, valt een boom op te zetten, maar over het jaar bestaat geen twijfel.

Beide gevechten zijn namelijk te dateren aan de hand van de magistraten in wier ambtsjaar de gebeurtenissen plaatsvonden. Marathon vond plaats toen Fainippos archont was, lezen we bij Ploutarchos, bij Aristoteles en in de inscriptie die bekendstaat als Marmor Parium, terwijl Salamis plaatsvond ten tijde van Kalliades, aldus Diodorus van Sicilië. Salamis valt bovendien te dateren aan de hand van een zonsverduistering enkele dagen later. Voeg nog toe dat Thoukydides weet dat er tien jaar tussen beide veldslagen verstreek en je hebt echt een sterk verhaal.

Deel:
Fragment uit Euripides’ Melanippe (Neues Museum, Berlijn)

Hoe dateer ik een papyrus?

12 november 2020

Stel, archeologen graven in Egypte een kleine verzameling papyri op waarop Griekse teksten blijken te staan. Een classicus die de papyri krijgt te zien, herkent iets raars: het is onmiskenbaar poëzie, want de teksten zijn metrisch, maar ze rijmen ook, wat in de antieke dichtkunst ongebruikelijk is. De oudheidkundigen van ons voorbeeld hebben vanaf nu meer vragen dan antwoorden, maar nog voor ze de eigenlijke vraag hebben kunnen stellen (“wat bracht de dichter op het idee van deze poëtische innovatie?”), moet ze weten wanneer die innovatie plaatsvond. Kortom: hoe oud is een papyrus?

Dagtekeningen

In dit geval weten we zeker dat de papyri antiek zijn, want ze komen uit een opgraving. Onze onderzoekers willen echter specifieker zijn. Het liefst hebben ze natuurlijk dat de datum er gewoon op staat. Dit is ook een redelijk gebruikelijke methode om antieke teksten te dateren, aangezien de kalender die in Egypte werd gehanteerd, weinig geheimen kent. Helaas zijn literaire teksten, zoals die in ons voorbeeld, niet vaak voorzien van een dagtekening. Dat is meer iets voor ambtelijke stukken.

Deel:
Scherven in Hekatompylos

Er is te weinig aandacht voor aardewerk

12 november 2020

In het eerste deel van dit stukje gaf ik aan dat er in musea nogal veel aardewerk ligt omdat het spul weliswaar breekbaar is maar niet goed kapot wil gaan. Het smelt, roest of brandt niet. Ook is keramiek betrekkelijk waardeloos, zodat niemand zijn leven riskeert om het uit een verbrande of verzwolgen nederzetting op te halen. Het grote aanbod van potten en scherven in de musea wil dus niet zeggen dat het materiaal is oververtegenwoordigd, maar dat andere vondstcategorieën zijn ondervertegenwoordigd.

Nee, er is nooit genoeg aardewerk

Er is ook een ander verhaal te vertellen. Keramiek is namelijk verdraaid informatief. Een van de eersten die dat begreep, was Heinrich Schliemann. In een tijd waarin esthetiek een belangrijke drijfveer was bij het oudheidkundig bodemonderzoek, zocht hij niet naar mooie sculptuur – al was hij niet afkerig van de mooie Helios uit Troje – maar begreep hij dat simpele voorwerpen een belangrijke bron van informatie konden zijn. De hoon die hij kreeg van de toenmalige, kunsthistorisch georiënteerde oudheidkundigen is nog altijd niet verstomd, maar Schliemann had wel gelijk. Het grauwe aardewerk dat hij vond in Orchomenos, Mykene en Troje IV deed hem bijvoorbeeld inzien dat deze nederzettingen gelijktijdig hadden bestaan. Zo ontdekte hij dat je aardewerk kunt gebruiken om chronologieën te bepalen.

Deel:
Het valse "Evangelie van de Vrouw van Jezus" (Harvard)

Koolstofdatering: Pseudoscepsis

12 november 2020

Nu we de wetenschappelijke zelfkritiek hebben gehad, komen we als vanzelf bij de pseudosceptici, waaronder er zijn die de koolstofmethode niet zien zitten. Ik heb al enkele valkuilen vermeld: nog levende schelpen die duizend jaar oud dateren en andere afwijkingen van de oorspronkelijke aannames die aan de koolstofdatering ten grondslag lagen. Wie twijfel wil zaaien aan oudheidkundige dateringen, kan zulke voorbeelden op indrukwekkende wijze presenteren.

Dat kan met cijfers, want de afwijkingen als gevolg van bijvoorbeeld het mariene reservoireffect bedragen honderden jaren. Ook taalkundige massage is dienstig. Er zijn reële problemen, stuk voor stuk oplosbaar, maar je kunt natuurlijk zeggen dat het “wemelt van de problemen”, dat er “schokkende verschillen” zijn, dat “ongerijmdheden de methode plagen”, dat de verschillen “niet onbetekenend” zijn en dat er sprake is van “onkwantificeerbare variabelen”.

Deel:

Jaarringdatering

12 november 2020

Archeologische persberichten zijn nogal eens overdreven. De opstellers van goede berichten niet te na gesproken benutten archeologen de media vaak niet om u voor te lichten maar om naar fondsen te vissen. Daarom overdrijven ze. Ik heb het weleens geturfd en concludeerde toen dat 40% van de berichten onjuistheden bevatten die de betrokkenen moeten hebben herkend. Geen wonder dat de pers, éénmaal te vaak oneigenlijk gebruikt, steeds sceptischer wordt. Maar soms duikt er iets op dat de moeite waard is. Zoals dit keer, al is het bericht wat technisch, al is de feitelijke ontdekking alweer wat ouder en al houdt het persbericht op als het spannend wordt. Niettemin: dit kan interessant gaan worden.

Dendrochronologie is een duur woord voor het tellen van jaarringen om vast te stellen hoe oud een stuk hout is. Omdat de dikte van de ringen afhankelijk is van de weersomstandigheden, is geen reeks jaarringen – althans als die een jaar of tachtig lang is – identiek. Elke regio en elke houtsoort heeft een vrij specifiek patroon van dunne en dikke ringen. Als archeologen een houten voorwerp opgraven, kunnen ze dat vergelijken met een ijkcurve (zoals deze) en bepalen hoe oud het opgegraven voorwerp is. Is er een stuk spinthout aanwezig, dan kan de datering zelfs precies zijn. Zo kon van het Romeinse kamp in Oberaden worden gezegd dat het hout was gekapt in het najaar van 11 v.Chr.

Deel:
De mummie van een krokodil (Egyptisch Museum, Barcelona)

Koolstofdatering: Kritiek

12 november 2020

De koolstofmethode wordt vaak gepresenteerd als keiharde, betrouwbare en succesvolle methode. En terecht. Zo raakt echter wat uit het zicht dat ook zo’n keiharde en betrouwbare methode onoordeelkundig en dus onsuccesvol valt toe te passen. Hoe keihard en hoe betrouwbaar ook: dateren blijft een kunst.

Je moet heel goed weten wat je dateert en welke vraag je eigenlijk wilt beantwoorden. De meest voor de hand liggende vraag is natuurlijk: hoe oud is het? Maar daar is de koolstofmethode niet in alle gevallen geschikt voor. De vraag “stamt dit voorwerp uit het begin van de zevende eeuw?” vergt een nauwkeurigheid van een jaar of vijftig. Maar rond het begin van de zevende eeuw loopt de kalibratiecurve behoorlijk vlak. Een koolstofdatering kan dan heel goed uitvallen als 585 – 710 cal AD en daar heb je niks aan. Maar aan diezelfde datering heb je wél wat als je wilt weten of je voorwerp een moderne vervalsing is.

Deel: