Structuur en cultuur

Kleio, muze van de geschiedvorsing (El Djem, Huis van de Maanden)
14 november 2020

Zo rond 1970, zo heb ik ooit eens ergens gelezen, inventariseerde een cultureel antropoloog – misschien was het Roy Rappaport wel – de definities die bestaan van het woord “cultuur”. Als ik me goed herinner, vond hij er zeshonderd of zesduizend. Ik houd het er, in de voetstappen van Tylor, even op dat het gaat om het complexe geheel van kennis, geloof, kunst, waarden, wetten, gewoontes en andere zaken die mensen verwerven als lid van een samenleving. Echt belangrijk is de definitie nu niet. Waar het mij om gaat is hoe je zo’n geheel zó conceptualiseert dat je er zinvolle uitspraken over kunt doen.

Ik snijd dit onderwerp aan omdat het belang van de Oudheid nogal eens wordt bewezen aan de hand van wat dan evidente ontleningen zouden zijn. We hebben X, Y of Z toch te danken aan de Grieken, Romeinen of Joden? En inderdaad, er valt een lijstje te maken van dingen die we hebben te danken aan de ouden (“but apart from the sanitation, the medicine, education, wine, public order, irrigation, roads, a fresh water system, and public health, what have the Romans ever done for us?” in de legendarische formulering van Monty Python). Die lijst is lang. En zegt weinig.

Patchwork

Het probleem is dat het niet moeilijk is tegenover een opsomming als deze, met zijn negen punten, een opsomming te plaatsen van méér dingen die we niet aan de ouden te danken hebben. Dat weten we ook alweer sinds de trait lists waarmee de sociale wetenschappen ooit begonnen en waarin rijp en groen door elkaar stonden. Cultuur is hierin een soort patchwork van allerlei dingen bij elkaar. Je kunt dan beweren dat onze cultuur afstamt van de Griekse en je kunt ook het tegendeel verdedigen. Allebei mogelijk. Zinvolle vergelijkingen tussen twee culturen – pakweg Amerika en Iran – zijn ook al niet mogelijk. Kortom: we hebben hier niets aan. Het is zinledig, onwetenschappelijk.

Een volgende stap is dat je onderkent dat niet alle dingen even belangrijk zijn. Ja, we danken het onderscheid tussen tragedie en komedie aan de oude Grieken maar dat is natuurlijk niet zo belangrijk als, pakweg, de boekdrukkunst. Er moest wat systeem komen. En dat kwam er.

Structuur en functie

De grote vernieuwing staat bekend als structureel-functionalisme of ook wel gewoon functionalisme. Het idee, dat in bekende auteurs als Durkheim en Radcliffe-Brown zijn voorlopers vond en werd uitgewerkt door Talcott Parsons, is dat een samenleving vergelijkbaar is met een organisme, waaraan een skelet structuur geeft en waarin organen vitale functies vervullen. Analoog hieraan erkenden de functionalisten maatschappijstructuren en instituties die door de eeuwen heen hetzelfde bleven functioneren, zodat je kunt spreken van een culturele continuïteit. Het klassieke voorbeeld is het huwelijk, dat over een hele hoop zaken helderheid verschaft en zo – flauwe grappen daargelaten – in principe stabiliteit verschaft.

Dit functionalisme is later verder uitgewerkt. Zo introduceerde de Amerikaanse socioloog Robert Merton (dezelfde van de paradigma-theorie) het onderscheid tussen manifeste en latente functies. De manifeste functie is voor elke betrokkene meteen duidelijk. Het bouwen van een badhuis in het Romeinse Rijk had bijvoorbeeld een duidelijke (manifeste) hygiënische functie. Hetzelfde bouwproject had echter ook een tweede functie, die meer verborgen (latent) was: de bouwheer kon laten zien dat hij geld bezat en het beste voorhad met zijn stadgenoten, wat rechtvaardigde dat hij en andere weldoeners de macht in de stad verdeelden. Een andere verfijning van het functiebegrip was dat men onderkende dat er ook disfuncties waren, ofwel contraproductieve gebruiken.

Het idee dat we bij het analyseren van een cultuur onderscheid moeten maken tussen enerzijds de diverse culturele elementen aan de oppervlakte (een badhuis, een aquaduct…) en anderzijds de dieperliggende structuur waartegenover die elementen een functie hadden, was een belangrijke vooruitgang. Het functionalisme leent zich echter beter om een momentopname van een samenleving te maken dan om maatschappelijke veranderingen te beschrijven. (In jargontermen: het is beter voor een synchrone dan een diachrone analyse.) Wat nodig was om de sociale en de historische wetenschappen te laten samenwerken, was een theorie over de wijze waarop structuren in de loop der tijd veranderden.

Neo-evolutionisme en structurationisme

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werden de eerste pogingen gedaan om de wijze waarop we een cultuur analyseren zó te verbeteren dat diachrone analyses beter lukten. Eén zo’n voorstel was het neo-evolutionisme, dat de menselijke ontwikkelingsgang beschreef aan de hand van de groeiende energiebehoefte. Verwant zijn de culturele ecologie, die de mensheid steeds dieper ziet ingrijpen in de natuur, en het systeem van Elman Service en Morton Fried, die groeiende complexiteit als leidraad namen.

Hun boeken zijn leuk om te lezen en ik heb over Service en Fried weleens met plezier geblogd. Maar ze konden een probleem niet oplossen: de spanning tussen enerzijds de historische analyse (de veranderende wereld) en anderzijds de structuur (dat wat niet verandert). Je kunt het niet allebei hebben. Je kunt natuurlijk het structuurbegrip opofferen, maar dat is nogal een prijs. Beter is het na te denken over het structuurbegrip – en dat is de betekenis van Anthony Giddens en de zogeheten linguistic turn.

Ik heb er alle begrip voor als mensen een staart krijgen van alle academische turns, want het zijn er nogal wat, maar deze is serieus. Simpel samengevat komt het erop neer dat we geen biologisch maar een taalkundig structuurbegrip hanteren: enerzijds een woordenschat van culturele elementen, anderzijds een structuur als een grammatica. Dit biedt de mogelijkheid flexibel om te gaan met structuren en tegelijk continuïteiten te schetsen. Vuistregel: kijk naar instellingen waar een norm is verknoopt met economische middelen. Structurerende elementen. De madrasa/universiteit draagt bijvoorbeeld een norm voor wetenschappelijke discussie uit en verknoopt die met eigen financiële middelen. Dit is iets dat de samenleving helpt structureren. Vandaar dat men wel spreekt van structurationisme.

Archeologie

In de twintigste eeuw is ons apparaat om culturen te beschrijven dus verbeterd. Wie de invloed van de Oudheid op ons wil benoemen, kan niet aankomen met aquaducten, het Griekse toneel of het alfabet, maar zal moeten spreken over structurerende elementen. Je kunt er ook van afzien, maar het is zoiets als afzien van vaccinatie, de koelkast, plastic, elektriciteit, bloeddonatie en andere verworvenheden van de twintigste eeuw.

Je kunt ook wel wetenschappelijk zijn. De archeologen hebben er veel werk van gemaakt de sociaalwetenschappelijke inzichten mee te nemen in hun eigen intellectuele avontuur. U heeft wellicht de hoofdfasen van de geschiedenis van de twintigste-eeuwse archeologie herkend: de cultuurhistorische archeologie, die begon met een patchwork en het functionalisme aanvaardde, de New Archaeology die het neo-evolutionisme introduceerde en de postprocessionele archeologie met haar structurationistische inslag.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Perzen, Grieken en pseudohistorici (6)

In het vorige stukje toonde ik hoe Eduard Meyer – het had echter iedereen kunnen zijn – betekenis geeft aan Read more

Bruce Malina

Neem de Quichot. Waar gaat die tekst over? Menigeen zal het erop houden dat het een opstapeling van dwaasheden is. Ik Read more

De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Vergelijkingen en relevantie

In mijn vorige stukje vertelde ik dat de Oudheid voor ons relevant kan zijn, maar wees ik er ook op dat als Read more