Arm en straatarm in het antieke Rome (1)

Gezichtsloos in een drom van gezichtslozen
28 februari 2021

Keizer Augustus was er trots op dat hij Rome als een stad van marmer achterliet. Met zijn intensieve bouwprogramma’s had hij ervoor gezorgd dat de ‘hoofdstad van de wereld’ (caput mundi) zich kon spiegelen aan steden als Alexandrië, Efese en Antiochië. Sindsdien zijn luxe en decadentie onlosmakelijk verbonden aan de hoofdstad van het Romeinse Rijk. Er is veel bekend over het leven van de elite. Maar wat zien we als we verder kijken dan de marmeren façade? Hoe zag het leven van eenvoudige lieden eruit?

Twee problemen dienen zich aan:

  1. Geschreven bronnen zijn in hoofdzaak dóór en vóór de elite geproduceerd; een kleine toplaag met weinig belangstelling voor de rest. Hoe dieper men naar beneden kijkt, hoe vager de contouren.
  2.  De elite is beter vertegenwoordigd in het bodemarchief dan eenvoudige lieden.

De schaarste aan bronnen maakt dat historici en archeologen elkaar met regelmaat overschrijven. De bundel M. Atkins en R. Osborne (red.), Poverty in the Roman World (2006) is bijvoorbeeld sterk schatplichtig aan het artikel “The Poor”, dat C.R. Whittaker in 1993 publiceerde in de door A. Giardina geredigeerde bundel The Romans. Steeds weer worden de dichters Martialis (ca. 40-104 n.Chr.) en Juvenalis (ca. 60-ca. 140 n.Chr.) opgeroepen als getuigen, al zijn hun gedichten niet het betrouwbaarste bewijsmateriaal.

Sociale stratificatie

Om focus te houden, beperk ik mij tot de stad Rome en tot de eerste eeuw n.Chr. Over deze periode vertellen de handboeken – even kort door de bocht – dat de keizer (augustus) aan de top van de piramide stond, met daaronder de senatoren (senatores) en vervolgens de ridders (equites). Samen vormden zij de nobilitas. De nobilitas was aan een vermogenstoets onderworpen. Een kandidaat-senator moest ten tijde van keizer Augustus een bezit ter waarde van tenminste 1,2 miljoen sestertii aantonen. Voor equites lag het drempelbedrag op 400.000 sestertii. Hun maatschappelijke status, rechtspositie en carrièremogelijkheden waren strak bepaald. Ramsay MacMullen maakt aannemelijk dat de nobilitas minder dan één procent van de hoofdstedelijke bevolking uitmaakte (noot 1).

Een middenklasse van enige omvang, zoals we die uit later eeuwen kennen, ontbrak. Direct onder de toplaag bevond zich het veel omvangrijker plebs. Meestal voorgesteld als een meute die een permanent gevaar vormde voor de gevestigde orde, conform het elitaire perspectief van de Romeinse geschiedschrijvers. Een amorfe groep.

Waar hebben we dat vaker gezien? Bij de bestorming van het Capitool, op 6 januari 2021, spraken de Amerikaanse media over een ‘mob’ die de democratie omver wilde werpen. Dichter bij huis zagen we iets vergelijkbaars met de avondklok-rellen. De Tweede Kamer kwam na een uitvoerig debat tot de conclusie dat de daders, zonder aanzien des persoons, het predicaat ‘tuig’ verdienden. Nadere sociologische duiding was onnodig, vond premier Rutte.

Mij gaat het hier juist wél om het aanzien des persoons. Is er iets van een sociale stratificatie te ontdekken onder de top van de piramide? (noot 2)

Niet-vermogenden

De elitaire toplaag beschouwde de rest van de stadsbevolking als pauperes. Vaak vertaald als ‘armen’, maar ‘niet-vermogenden’ dekt de lading beter. Een pauper was namelijk iemand die moest werken voor de kost en geen of weinig grond bezat.

Rome had aan het begin van de keizertijd een behoorlijk ontwikkelde geldeconomie. Om in je dagelijkse behoeften te voorzien, had je geld nodig. Hieronder wil ik nagaan hoe mensen aan hun geld kwamen en wat hun leefomstandigheden waren. De geldeconomie van de metropool veroorzaakte, ironisch genoeg, diepe armoede en creëerde een stadsproletariaat. Temeer doordat de lonen vanaf circa 20 n.Chr. onder druk kwamen te staan door de influx van slaven en immigranten (noot 3).

De aanduiding pauperes was min of meer synoniem aan plebs. Het plebs urbana in Rome bestond uit een zeer divers samenraapsel, van handwerkslieden tot bedelaars. De overheid kende een juridische status toe aan het plebs frumentaria. Deze groep werd op allerlei manieren voorgetrokken. Allereerst materieel, maar dat werkte door in leef­omstandig­heden, gezondheid, dieet, kleding en familieleven. De bevoorrechte positie kwam ook tot uitdrukking in de placering bij evenementen, het strafrecht en grafrituelen. Doordat het plebs frumentaria een bijzondere status genoot, bleef er een restcategorie over die in het spraakgebruik aangeduid werd als plebs sordida, enigszins vergelijkbaar met de bevolkingsgroep die in onze Zeventiende Eeuw werd aangeduid als ‘het grauw’.

Politici dreven voortdurend een wig tussen het plebs frumentaria (vandaar de voorkeurs­behandeling) en het plebs sordida. Dat gebeurde door het gevaar van die laatste groep voor de gevestigde orde te benadrukken.

[Wordt vervolgd]

Noten

  1. R. MacMullen, Roman Social Relations, 50 B.C. to A.D. 284. (1974) 90-97.
  2. Ten tijde van de Republiek gold een vermogenstoets voor vijf ‘gegoede standen’ bij de census, waarbij de sprong van de vierde naar de vijfde klasse van 20.000 naar slechts 375 sestertii ging. Zie Walter Scheidel, “Stratification, Deprivation and Quality of Life” in M. Atkins en R. Osborne (red.), Poverty in the Roman World (2006) 48. In de keizertijd vinden we voor zover mij bekend geen verwijzingen naar vergelijkbare standen.
  3. W.V. Harris, Rome’s Imperial Economy: Twelve Essays (2010) 53.
Deel dit blog:
Wereldboekendag in het Latijn

Gaudes carminibus; carmina possumus donare et pretium dicere muneri. Jij houdt van een gedicht en een gedicht kan ik geven Read more

De ‘omvolking’ van Rome

Naar aanleiding van de cijfers omtrent de herkomst van de Belgische bevolking, die het Bureau voor statistiek bekend maakte, vond Read more

Ausonius in Bordeaux

Een jaar of vier geleden mocht ik op deze blog een gedichtje van Leo van Zanen publiceren over de Togatus Read more

Ausonius in Trier

Een jaar of vier geleden mocht ik op deze blog een gedichtje van Leo van Zanen publiceren over de Togatus Read more


Categoriën: Romeinse Keizerrijk