Prinsjesdag, Plinius, Mill en de vergelijkingstheorie

J.S. Mill
20 september 2021

Morgen is het Prinsjesdag en dat is een mooie gelegenheid om het weer eens over vergelijkingstheorie te hebben. Het demissionaire Nederlandse kabinet zal wel een miljoenennota indienen en u kent de problemen waarvoor de overheid staat. In heel Europa. De diverse overheden hebben enorme bedragen geleend. Nog nooit – althans in vredestijd – was de staatsschuld zo hoog. Gelukkig zijn de rentes laag, zodat we ons er vooralsnog geen zorgen om hoeven maken. Probleem is wel dat er vrijwel geen marktpartijen meer zijn die schulden tegen zulke lage rentes willen afnemen. De overheid kan hen daartoe echter, ook al zal men het niet graag doen, wel dwingen. Het is weliswaar in hun financiële nadeel, maar in het gemeenschapsbelang. De Romeinen zouden het hebben begrepen.

Plinius in Bithynië

In de eerste jaren van de tweede eeuw n.Chr. was de provincie Bithynië-Pontus in grote financiële problemen geraakt. Keizer Trajanus stuurde een bestuurder met buitengewone bevoegdheden, Plinius de Jongere. Diens correspondentie is over. Aan de dateringen is te zien dat hij werkte zoals een interimmanager betaamt: eerst maakte hij een plan van aanpak, wat aanvankelijk resulteerde in een lawine aan brieven, daarna werkte hij zijn plan uit en neemt de frequentie van de brieven af. Brief 10.54 documenteert het succes. Het begint met Romeinse standaardstroopsmeerderij:

Majesteit, door Uw vooruitziende blik en door mijn maatregelen is het geld van de steden teruggevorderd. De inning gaat nog verder. Ik vrees echter dat het onproductief blijft. Er is namelijk nauwelijks gelegenheid om onroerend goed te kopen, terwijl niemand debiteur van de staat wil worden, althans niet tegen 12% waartegen particulieren lenen moeten.

Wat hier in feite staat is dat als een stad geld over had, de overheid mensen kon dwingen het over te nemen. Die mochten ermee doen wat ze wilden, mits ze de overheid rente betaalden. Ze moesten dus ineens denken aan beleggingen en andere zaken waar een Romeinse grootgrondbezitter zich niet mee bezig wilde houden. De weerzin zal niet heel anders zijn geweest dan de weerzin die de vermogensbeheerders van een hedendaags beleggingsfonds zouden voelen als ze gedwongen zouden worden laagrentende staatsschulden af te nemen.

Plinius had echter een inval. Het idee verraadt dat hij zijn oor te luisteren had gelegd bij vermogende Bithyniërs: hij stelde een renteverlaging voor. Hij rondt zijn brief af met het vermoeden dat de betrokkenen nog altijd niet zullen staan springen om het hun opgedwongen kapitaal, maar dat het misschien een oplossing is.

Hoewel ze onwillig en weigerachtig zullen zijn, zal het minder hard zijn als de rente is verlaagd.

Vergelijkingstheorie

Dan kan ik nu ter zake komen en het hebben over vergelijkingstheorie. De vergelijkingstheorie zegt immers dat je altijd uitkijken moet met vergelijkingen tussen de preïndustriële Oudheid en het postindustriële heden. Onze economie is onvergelijkbaar met de antieke. Je kunt eigenlijk alleen vergelijkingen maken als het gaat om zaken die universeel waar zijn. Hier is het klassieke citaat dat u al zag aankomen:

De verdeling van de welvaart is slechts een kwestie van menselijke gewoonte. De goederen zijn er en de mensen – individueel of collectief – doen ermee wat ze willen. Ze kunnen de goederen ter beschikking stellen van wie hun maar bevalt en tegen welke voorwaarde dan ook. Bovendien kunnen goederen, in welk maatschappijtype dan ook, alleen worden benut met instemming van de gemeenschap, of liever gezegd van de legitieme heersers. Zelfs datgene wat iemand zelf heeft geproduceerd, kan hij niet behouden zonder instemming van de gemeenschap. Niet alleen kan de gemeenschap iemands zijn goederen afnemen, maar mensen zouden dat ook daadwerkelijk doen als de gemeenschap passief toezag, als ze niet ingreep om eigendommen te beschermen of daarvoor mensen in dienst nam en betaalde. De verdeling van de welvaart berust dus op de wetten en de gewoonten van een samenleving.

De verdeling van de schaarse goederen (schulden bijvoorbeeld) is een kwestie van conventie. Dat had Mill goed gezien. Het gaat op voor onze tijd: we kunnen een wet maken die beleggingsfondsen dwingt staatsschulden over te nemen. Dat kunnen we doen. Of niet. Het geldt eveneens voor de Romeinen, die rijke mensen konden dwingen overschietend kapitaal te beleggen. Maar het is onzinnig Plinius’ brief te lezen omdat we via de Oudheid meer zicht krijgen op onze eigen tijd.

Het punt dat we kunnen distilleren – de verdeling van bezit wordt bepaald door menselijke gewoonte – is waar voor de Romeinse tijd en is waar voor onze tijd omdat het altijd waar is. De vergelijking is dus weliswaar correct maar volstrekt overbodig.

Deel dit blog:
Verkeerd geleerde historische lessen

Vorige week overleed Donald Kagan. De in Litouwen geboren Amerikaanse classicus is de auteur van een van de aardigste inleidingen Read more

De Zeevolken: meer problemen

In de vorige vier stukken (één, twee, drie, vier) over de Zeevolken heb ik uitgelegd dat het bewijsmateriaal een consistent Read more

MoM | Rome 455, Washington 2021?

Als mijn uitgever het me vraagt, en als die uitgever ook nog inhoudelijk nadenkt over wat geschiedenis is, kan ik Read more

Vergelijkingstheorie (2)

[In het eerste deel legde ik uit dat vergelijkingen tussen nu en de Oudheid lastig zijn. Je zult minimaal het comparandum moeten Read more