Positivisme: het wetmatig verklaringsmodel

Ricardo
13 november 2020

Een historicus lepelt niet alleen wat feitjes op, maar probeert het verleden ook te verklaren. Dat wil zeggen: de gereconstrueerde feiten in verband brengen met andere feiten. Eén mogelijkheid om dat te doen is het zoeken van oorzaken (“causale verbanden” voor wie het deftig wil uitdrukken). Bij deze methode van verklaren wordt in feite gekeken naar de natuurwetenschappen.

De methode is dan ook eigenlijk wel redelijk bekend. Eerst observeren de onderzoekers de verschijnselen en na verloop van tijd herkennen ze regelmatigheden, die dan wordt aangeduid als een natuurwet. Een voorbeeld is de wet van Boyle, die behelst dat de druk van een gas omgekeerd evenredig is aan het volume. In de tweede fase worden voorspellingen getoetst die op de veronderstelde regelmatigheden zijn gebaseerd. Stemmen de nieuwe waarnemingen overeen met wat is voorspeld, dan is de wet bevestigd, althans voor het moment. (Voor wie het deftig wil uitdrukken: een en ander is “gecorroboreerd”.) Is er daarentegen geen overeenstemming, dan is de wet óf niet geldig óf incompleet en moet ze worden verfijnd. In ons voorbeeld is dit laatste het geval. De volledige wet van Boyle luidt immers dat de druk van een gas omgekeerd evenredig is aan het volume zolang de temperatuur en de hoeveelheid gas dezelfde blijven.

In de achttiende eeuw was iedereen het erover eens dat op deze wijze indrukwekkende resultaten konden worden bereikt en vanaf de negentiende eeuw streefde men ernaar deze methode ook toe te passen in de humaniora. De Franse filosoof Auguste Comte verzon de naam waaronder deze benadering bekend is komen staan: positivisme.

Een voorbeeld is te vinden in het Essay on the Principle of Population as it Affects the Future Improvement of Society, dat in 1795 werd gepubliceerd door de Britse predikant Robert Malthus. Hij wees erop dat in New England de bevolking zich sinds 1643 elke vijfentwintig jaar had verdubbeld (dus volgens de reeks 1, 2, 4, 8, 16…) en oordeelde dat dit de groeisnelheid van een bevolking was als er geen beperkingen zouden zijn. Daar stond echter tegenover dat de voedselproductie van een samenleving zou toenemen volgens de reeks 1, 2, 3, 4, 5… en dus achterbleef bij het aantal te voeden monden. Elke bevolking, zo concludeerde Malthus, had altijd de neiging haar bestaansmiddelen te ontgroeien. Hij voorspelde dat als er geen einde kwam aan de bevolkingsgroei, de mensheid ten onder zou gaan aan ziekte en honger. Om dit te verhinderen, gaf hij mensen de raad pas te trouwen als ze in staat waren kinderen te onderhouden en adviseerde hij de Britse overheid meer geld te besteden aan onderwijs, zodat de burgers zouden begrijpen waarom het zinvol was te streven naar kleine gezinnen.

Minstens zo interessant zijn de ideeën van Malthus’ tijdgenoot David Ricardo, die het beste kunnen worden geïntroduceerd aan de hand van een gedachtenexperiment. Stel, iemand gaat als boer wonen in een nog onontgonnen vallei. Hij zal zich dan vestigen in de buurt van de rivier, want hij heeft water nodig, maar toch ook weer niet al te dichtbij, om geen last te ondervinden van overstromingen. Een tweede en derde boer kiezen soortgelijke plaatsen, maar na verloop van tijd is de beste grond in de vallei bezet en vestigen mensen zich op de heuvels, waar ze met wat meer arbeid toch nog een redelijk loon weten te verwerven.

De volgende generatie zal bij de rivier moeten gaan wonen en moet zijn oogst veiligstellen in een moeizame strijd tegen het water. De investeringen nemen dus toe. Terwijl de eerste generatie ontginningsboeren zijn producten nog tegen een lage prijs kon aanbieden, moest de tweede al wat meer vragen, en moest de derde zijn producten verkopen tegen een bijna te hoge prijs. Bevolkingstoename, zo kunnen we concluderen, leidt tot hogere voedselprijzen. Ook het omgekeerde is waar: als bijvoorbeeld de helft van de mensen aan een ziekte bezwijkt, zullen de overlevenden alleen de vruchtbaarste gebieden blijven bewerken en daalt de graanprijs.

Aangezien in de meeste voorindustriële samenlevingen de lonen min of meer constant waren, mogen we aannemen dat in tijden van bevolkingsgroei en stijgende voedselprijzen er steeds minder geld resteerde voor mooie kleren, meubilair en andere luxe. Het bekendste voorbeeld is de verarming van Europa in de tijd van bevolkingsgroei vóór de Zwarte Dood van 1347-1349. Toen die een derde van de Europese bevolking had weggenomen, volgde “de gouden eeuw van de ambachtslieden” met lagere levensmiddelenprijzen en een gestegen vraag naar de producten van handel en nijverheid.

Ook voor het Romeinse keizerrijk is aangetoond dat bevolkingsgroei de oorzaak is van stijgende voedselprijzen. Het is echter interessant dat de welvaart daar desondanks toenam: een mooi voorbeeld van een vredesdividend.

Deze voorbeelden zijn niet toevallig ontleend aan de economie, want de wetmatige verklaringswijze heeft tot nu toe vooral overtuigende resultaten opgeleverd als het gaat om ecologie en economie. Toch is het denkbaar dat oudheidkundigen te terughoudend zijn geweest met deze wijze van verklaren, want veranderingen in de economie hebben gevolgen voor de sociale verhoudingen. Het standaardvoorbeeld is opnieuw de Zwarte Dood, die ertoe leidde dat er betrekkelijk weinig mensen beschikbaar waren om het land te bewerken. Dat verbeterde de onderhandelingspositie van de boeren, die er in West-Europa in slaagden het einde van de horigheid af te dwingen. Een sociale verandering kan zo worden veroorzaakt door het economische gegeven dat er schaarste was op de agrarische arbeidsmarkt. Het is dus denkbaar dat de wetmatige verklaringswijze vaker toepasbaar is dan wel wordt aangenomen. Oudheidkundigen zouden kunnen onderzoeken of het christendom, een armeluisreligie, terrein kon winnen door de bevolkingsneergang van de derde eeuw.

Gemakshalve aannemend dat de opkomst van het christendom inderdaad voortkwam uit demografische krimp, zou men kunnen tegenwerpen dat de opkomst van het christendom toch wel enigszins bevorderd zal zijn geweest doordat keizer Constantijn partij koos. Als verklaring voor de religieuze omslag is de laat-Romeinse bevolkingsneergang dus niet volledig. Hetzelfde geldt voor het einde van de horigheid. Ten westen van de Elbe verdween deze inderdaad, maar ten oosten van deze rivier nam ze juist toe. De analyse is pas compleet als we rekening houden met nóg een factor, namelijk dat de boeren zich in West-Europa beter hadden kunnen organiseren. (En dat kwam weer doordat ze leefden in oude dorpen met verworven rechten, die ontbraken in de oostelijke ontginningsdorpen.)

Een oorzaak is in de geschiedwetenschappen – anders dan in bijvoorbeeld de mechanica – dus zelden een volledige verklaring voor een gebeurtenis. Er zijn altijd meer redenen te bedenken waarom iets gebeurde. Bij de opstand van de Bataven speelde een rol dat achtereenvolgens de keizers Nero, Galba en Vitellius de stam niet hadden behandeld met het respect dat deze verwachtte, dat de Bataafse elite verdeeld was en dat prins Civilis wraak wilde voor de dood van zijn broer. Eigenlijk zouden we historische oorzaken moeten aanduiden als “noodzakelijke maar op zichzelf onvoldoende voorwaarden”, maar zulk jargon is ook weer zo omslachtig.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Physics of Society (3)

In het vorige stukje heb ik getoond hoe de physics of society toepasbaar zouden kunnen zijn op het historisch proces. Het is Read more

Physics of Society (2)

In het eerste stukje legde ik uit dat “physics of society” veronderstelt dat veel menselijke gedragingen zijn te herleiden tot een beperkt Read more

Physics of Society (1)

Geschiedenis is méér dan “het ene ding na het andere” of “vroeger zag het er hier zo uit”. Je probeert Read more

Verklaren door vergelijken (3)

In de twee eerste stukjes heb ik uitgelegd dat vergelijken een manier is om oorzaken op te sporen, al moet Read more