Plumbata: de dartpijl van het Late Romeinse Rijk

Het werpen van plumbata
3 december 2020

One-hunderd-and-Eeeeeeeightyyyyy! Bij deze kreet veren doorgaans tienduizenden Nederlanders op van hun stoel, als nationale helden zoals Raymond van Barneveld of Co Stompé, hun pijltje virtuoos tussen duim en wijsvinger geklemd, weer eens een perfecte score hebben gegooid.

Mag ik de lezer nu meenemen naar een ander scenario – nog steeds een grote groep mensen, nog steeds veel lawaai, nog steeds een gespannen sfeer. Maar in plaats van fors gebouwde sporters zien we goed bewapende legionairs, en in plaats van een klein pijltje tussen duim en wijsvinger werpen zij uit alle macht een uit de kluiten gewassen pijl naar de vijand, die, naar ik u kan verzekeren, dit minder op prijs stelt dan de mensenmassa in het vaderlands café.

Mars’ weerhaken

In tegenstelling tot Van Barnevelds pijltjes was dit wapen allerminst onschuldig. Met een flinke boog geworpen werden afstanden tot wel honderd meter gehaald, wat betekende dat de gehele vijandelijke slagorde ineens een wapen moest vrezen dat letterlijk uit de lucht kwam vallen, veel verder reikte dan elke speer en een doorslagkracht bezat die de bescherming van elk schild en waarschijnlijk zelfs elk pantser waardeloos kon maken.

De plumbata was een flinke pijl met daaraan een bol lood ter verzwaring – de naam was waarschijnlijk een afkorting, afgeleid van plumbatis sagittis (‘loden pijl’), terwijl de vroege Byzantijnen het wapen ook beschrijven als ‘loodgepunte pijl’. Naast het lood was het andere typische kenmerk een flinke punt met weerhaken – de andere naam voor dit wapen is martiobarbulis, oftewel ‘weerhaakjes van Mars’.

Hoe het wapen er exact uit zag weten we niet. Behalve de metalen delen (punt en loden gewicht) zijn er nooit resten gevonden van de houten schacht, waardoor onduidelijk blijft hoe lang de pijl precies was. De enige nog bekende afbeelding ervan is een Middeleeuwse kopie van een waarschijnlijk vierde-eeuws geschrift van een anonieme uitvinder. Het is de vraag hoe betrouwbaar die informatie is.

Moderne replica van een plumbata

Lievelingsregimenten

De oorsprong van de plumbata is ook enigszins onduidelijk. De Laat-Romeinse schrijver Flavius Renatus Vegetius beschrijft hoe twee regimenten uit Illyrië, het huidige Joegoslavië, tijdens het bewind van keizer Diocletianus (r.284-305 n.Chr.) zich hadden bekwaamd in het gebruik van dit wapen. Deze Herculiani en Ioviani maakten hiermee zo’n indruk bij Diocletianus en zijn medekeizer Maximianus, dat beide regimenten vervolgens, omgedoopt tot Martiobarbuli Herculiani en Martiobarbuli Ioviani, de lievelingsregimenten van de keizers werden.

Op zich waren verzwaarde werpwapens niet nieuw in het Romeinse arsenaal. De bekendste was natuurlijk de pilum, de verzwaarde werpspies die onlosmakelijk verbonden is aan ons beeld van dé Romeinse soldaat, de legionair. Maar Plinius schreef reeds over de plumbatis iaculis, een soort van jachtpijl waarmee de Arabieren op vogels jaagden. En vóór de Romeinen hanteerden sommige Grieken al de cestrosphendone, een kleine verzwaarde pijl, die echter met een grote slinger werd afgeschoten.

De auteur met zijn massavernietigingswapen

Massawapen

Wat was er dan zo nieuw aan de plumbata dat dit wapen volgens Vegetius blijkbaar zo’n opzien baarde bij de Romeinse legerleiding? Zoals boven reeds vermeld is het bereik van de plumbata veel groter dan die van een speer. Hoewel niet bekend is hoe dit wapen gegooid werd, wijzen moderne tests uit dat het bereik kan oplopen tot zo’n honderd meter. Alleen slingers en bogen reiken verder, maar de doorslagkracht van slingersteen en pijl is beduidend minder dan die van een plumbata. Daarbij hoeft men niet te trainen voor het werpen van de plumbata, terwijl het gebruik van de slinger en de boog wel een opleiding vereist.

Met deze kenmerken werd de plumbata tot een gevreesd massawapen, dat een flinke impact op welke tegenstander dan ook moet hebben gehad. Vijandelijk voetvolk moet de plumbata vervloekt hebben, die, anders dan speer of slinger, niet van voren kwam maar bijna verticaal uit de lucht – het moet bijzonder lastig zijn geweest om zo’n wapen te zien aankomen. Het effect op een slagorde zal dan ook zijn geweest dat na de eerste waarschuwende kreet iedereen de bescherming van zijn schild zal hebben opgezocht. Op een charge van vijandelijke cavalerie (zonder beschermende schilden) zal de uitwerking er een van pure paniek en chaos zijn geweest.

Het enige nadeel van de plumbata tegenover slinger en boog moet worden gezocht in de beperkte hoeveel munitie. In een pijlkoker gaan al gauw tientallen pijlen, en ook de slingeraar kan een flinke hoeveelheid projectielen met zich meedragen. De hoeveelheid plumbatae die elke soldaat met zich meedroeg was echter beperkt. Vegetius beschrijft dat er vijf van deze projectielen ‘in de holte van het schild’ mee werden gedragen, terwijl de Byzantijnse keizer Maurikios in de late zevende eeuw een koker beschrijft, overigens zonder het exacte aantal projectielen te noemen dat daarin kon worden meegedragen.

Een onbekend wapen

Duidelijk is wel dat bijna iedereen in de Laat-Romeinse slagorde over plumbatae kon beschikken en ze ook gebruiken. Natuurlijk de infanterie, waar waarschijnlijk de achterste rijen gedurende het hele gevecht plumbatae over de hoofden van hun strijdende collega’s bleven gooien, maar ook verkenners, de bewakers van de tros, maar ook mariniers aan boord van schepen! Zelfs de cavalerie, die in volle galop, zoals uit moderne tests blijkt, met gemak de vijand met plumbatae kon bekogelen.

Zoals veel aspecten van de plumbata is ook niet duidelijk tot wanneer het wapen deel heeft uitgemaakt van de standaardinventaris van de Romeinse en Byzantijnse soldaat. Ondanks het algemene voorkomen van dit wapen bij alle delen van de troepenmacht zijn er toch niet zo heel veel van gevonden. In 2016 waren zo’n 175 vondsten gepubliceerd; mij zijn ook nog 75 exemplaren bekend uit privéverzamelingen en van verkopen via het internet. Wanner je deze vondsten projecteert op een kaart van het Romeinse Rijk, valt direct op dat de meeste geconcentreerd zijn in de Balkan en de grensprovincies van het West-Romeinse Rijk. En dat is verassend, omdat man op grond van onder andere de beschrijvingen in Byzantijnse legerhandboeken ook zou verwachten er resten van tegen te komen op de slagvelden van de Byzantijnse legers.

Er valt dus nog wel wat te ontdekken aan deze dartpijl van het Laat-Romeinse Rijk.

Literatuur

  • Robert M. Vermaat (2015): ‘Plumbatae’ in Y. Le Bohec et al. (edd.), The Encyclopedia of the Roman Army (Chichester/Malden), pp. 754-756.
  • Miroslav B. Vujović (2009): The Plumbata from Serbia, in: Journal of the Serbian Archaeological Society vol. 25, pp. 203-219.

[Robert Vermaat is lid van re-enactmentgroep Fectio]

Deel dit blog:
Een nieuw boek over Romeinse kleding

Even een kort stukje. Ik heb het weleens uitgezocht aan de hand van de vragen die ik zoal krijg: van Read more

De onverwoestbare reputatie van re-enactment

Er zijn allerlei instellingen en organisaties die de Oudheid uitleggen: musea, verenigingen, gymnasia, archeologische werkgroepen. Maar het meest geliefd zijn Read more

Reconstructie van kleding

Het is alweer een tijdje geleden dat ik aankondigde dat we filmpjes wilden gaan maken om uit te leggen hoe Read more

Ausonius in Bordeaux

Een jaar of vier geleden mocht ik op deze blog een gedichtje van Leo van Zanen publiceren over de Togatus Read more