Perzen, Grieken en pseudohistorici (6)

Aristoteles (Kunsthistorisches Museum, Wenen)
14 mei 2021

In het vorige stukje toonde ik hoe Eduard Meyer – het had echter iedereen kunnen zijn – betekenis geeft aan het verleden. We doen dat in feite door “wat als?”-vragen te stellen en te speculeren over gebeurtenissen die niet of wel zouden zijn gebeurd. De vakterm is “contrafactisch”. Als operatie Market Garden in september ’44 zou zijn geslaagd, zou een goed uitgerust Duits leger zich een hongerwinter lang in de Randstad hebben verschanst te midden van een steeds wanhopiger burgerbevolking en was de partijpolitieke vernieuwing heel anders verlopen: je weet het niet zeker en het is onwetenschappelijk, maar het is wel wat betekenis geeft.

In het vorige stukje behandelde ik dat aan de hand van de Perzische Oorlogen. Ik vertelde hoe Weber aantoonde dat het nogal speculatief was dit een beslissend moment te noemen. Er is echter meer te zeggen. De beslissendheid van de Perzische Oorlogen is maar één aspect van een negentiende-eeuwse mythe die in welverdiende vergetelheid was geraakt tot pseudowetenschappers deze in de eenentwintigste eeuw wakker kusten.

De mythe

Die mythe kent drie stappen:

  1. De Grieken hebben, in tegenstelling tot de oosterlingen, de werkelijke vrijheid gerealiseerd en hebben zo de wereld iets te vertellen over het goede, schone en ware.
  2. Europa bouwt voort op Griekenland.
  3. De Perzische Oorlog was beslissend.

Weber heeft de derde stap voldoende geproblematiseerd om die niet meer te bediscussiëren. Althans niet met mij. En ook de eerste stap, dat “het” oosten was dan “het” westen, beschouw ik als voldoende behandeld. Wie anno 1985 nog verdedigde dat er een tegenstelling was en dat er in het westen voor het eerst een beschaving van de menselijke maat was ontstaan, had nooit iets gelezen over het antieke Nabije Oosten.

De tweede stap is echter het belangrijkst. Het gaat hier om de aard van een culturele continuïteit en daarmee over de vraag wat een cultuur feitelijk is. Wie zegt dat de ene cultuur anders is dan de andere, doet een uitspraak over aspecten die én wezenlijk én duurzaam én benoembaar zijn.

Culturele continuïteit

Zoals natuurkundigen steeds verfijndere beschrijvingen hebben gegeven van de zwaartekracht – Aristoteles, Galilei, Newton, Einstein en wie weet Terlinde – zo hebben de sociale wetenschappen steeds verfijndere methoden ontwikkeld om culturen te beschrijven. Ik heb er al eerder op gewezen. In de negentiende eeuw vatte men cultuur op als een patchwork van losse onderdelen, in de vroege twintigste eeuw ontstond het functionalisme, rond het midden van die eeuw probeerden de neo-evolutionisten de opvolging te beschrijven van functionalistisch gestructureerde samenlevingen, en na een crisis van de sociale wetenschappen (tijdens welke Claessen het concept van de “vroege staat” introduceerde) kwam de “linguistic turn”.

Ik zeg niet dat alles nu goed is en ik beweer evenmin dat wat vroeger geschreven is verkeerd was, maar we kunnen niet zonder dit in de loop van anderhalve eeuw ontwikkelde instrumentarium. Dat zou zoiets zijn als de baan van Mercurius verklaren aan de hand van de wetten van Newton en dat kan dus niet.

De Grieken en wij

Hoe stel je vast of de Europese cultuur wezenlijk voortbouwt op de Griekse? Je moet dan vier dingen bewijzen.

  1. Je moet de wezenskenmerken van de Griekse cultuur identificeren
  2. Je moet bewijzen dat die werkelijk invloed hebben gehad op latere samenlevingen
  3. Je moet aantonen dat die wezenskenmerken uitsluitend Grieks zijn geweest
  4. Je moet documenteren dat ze steeds aanwezig zijn geweest

Het derde is het eenvoudigste: we krijgen steeds meer data en weten steeds meer over andere culturen. Dingen die we vroeger nog toeschreven aan de Grieken blijken steeds vaker gedocumenteerd in eerdere samenlevingen, en naarmate we meer over die eerdere maatschappijen weten, neemt de kans op verrassingen af. We zullen de wiskunde niet langer aan de Grieken toeschrijven.

Wat ons brengt bij de eerste te bewijzen zaak. Ik denk dat het gevoel voor het tragische (Homeros) en de regels voor een wetenschappelijk bewijs (Aristoteles, Eukleides) redelijke kandidaten zijn voor wezenskenmerken van de Griekse cultuur. Vermoedelijk ook de abstracte politieke analyse. We hebben geen Akkadische, Egyptische of Aramese teksten die zelfs maar in de verte lijken op de Politika van Aristoteles. Overigens is er hier een instinker: ze kunnen er wel zijn geweest, maar er zijn nogal wat Arameese en Punische bibliotheken verwoest. Zeggen dat het overleven van de Griekse teksten hun kwaliteit bewijst is in feite een beroep op het recht van de sterkste.

Het tweede is ook niet makkelijk. Invloed is dat we in onze samenleving iets als van nature doen. Het is het tegengestelde van inspiratie, iets waarvoor je bewust kiest. Het eerste bewijst continuïteit van de structuur van een cultuur (zeg maar de grammaticaregels), het tweede bewijst slechts continuïteit van de façade van een cultuur (zeg maar de woordenschat).

Resteert het vierde: het moet steeds aanwezig zijn geweest. Dit was ooit een probleem op de Nederlandse wetenschapsagenda maar voor de Oudheid stuiten we op een praktisch probleem. Grote delen van de antieke cultuur zijn slecht gedocumenteerd. Ook de Middeleeuwen blinken niet uit door goede documentatie. We kunnen concluderen dat een continuïteit van de Griekse cultuur tot op onze tijd simpelweg niet te bewijzen valt. Niet omdat ze er niet is maar omdat er een onmogelijkheid bestaat.

Het einde van de negentiende eeuw (denk je)

In de negentiende eeuw waren de dingen nog simpel. De Zwitserse historicus Jacob Burckhardt nam nog aan dat er een klassieke cultuur was geweest vol humane waarden die in de Middeleeuwen verduisterd was geraakt, waarna in de Italiaanse Renaissance de sluier ervan af werd getrokken. Een leuke metafoor, maar waar was die verduisterde cultuur dan?

Aannemen dat die er wel was maar we haar gedurende Middeleeuwen alleen maar niet zien is vrij onbevredigend. Een alternatief is dat die cultuur besloten lag in teksten en daaruit als het ware werd bevrijd, is niet onmogelijk – de vakterm is “container” – maar bewijsbaar onzin, omdat de Middeleeuwen veel minder onwetenschappelijk waren dan een Burckhardt aannam. Zijn ideeën over de Grieks-Romeinse cultuur zijn ook onjuist; zo humanistisch waren de ouden niet.

Kortom: onze cultuur bouwt niet wezenlijk op de Griekse voort. Voor zover we voortbouwen, is dat niet bewijsbaar. Je zou verwachten dat de ideeën over de beslissendheid van de Perzische Oorlogen, zoals ik hierboven aankondigde, in welverdiende vergetelheid zouden zijn geraakt. Dat was niet zo.

Deel dit blog:
Structuur en cultuur

Zo rond 1970, zo heb ik ooit eens ergens gelezen, inventariseerde een cultureel antropoloog – misschien was het Roy Rappaport Read more

Bruce Malina

Neem de Quichot. Waar gaat die tekst over? Menigeen zal het erop houden dat het een opstapeling van dwaasheden is. Ik Read more

De Green-collectie, het recht en zijn manke loop

Langzaam komt het einde in zicht voor een van de schandalen die de oudheidkunde momenteel teisteren. En wat in zicht Read more

De Bergrede (12): De andere wang

Sint-Nikolaas in actie als ketterpletter: hij slaat op de linkerwang. De Bergrede, dat is toch een verdraaid aardige tekst. Ik Read more


Categoriën: Griekenland