Patronen van misinformatie (5)

Nog steeds niet door Trouw gerectificeerde prietpraat.
12 november 2020

Ik heb in deze reeks al enkele patronen beschreven waardoor slechte informatie over de Oudheid in omloop komt: verouderde ideeën die blijven circuleren, archeologische aandachttrekkerij die nergens toe wordt getrokken, de echoput van de classici, exacte wetenschappers die het zonder literatuuronderzoek beter denken te weten, de neiging van wetenschappers – niet alleen oudheidkundigen – om voorbarige conclusies de wereld in te gooien, politieke belangen. In dit stukje nog wat andere zaken en ik denk dat we moeten beginnen met onhandigheid.

Onhandigheid

De filoloog, historicus of archeoloog die zich ergert als iemand zonder vooropleiding zich uitlaat over de oude wereld, heeft een punt. Hoewel een vakopleiding noch de enige noch een voldoende weg is naar kwaliteit, helpt ze je wel in de goede richting. Oudheidkunde is een vak. Opvallend is dat dezelfde oudheidkundige die enig respect vraagt voor zijn vakkennis, meent geen vakkennis nodig te hebben als het gaat om wetenschapscommunicatie.

Een simpel voorbeeld: oudheidkundigen leggen nooit hun methoden uit. Dat wreekt zich als er weer eens relletje is, bijvoorbeeld tijdens de Nijmeegse aquaductenaffaire. Zolang oudheidkundigen niet tonen wat het wetenschappelijke is van hun vak, zal dit doorgaan.

Een ander voorbeeld: het publiek te laag aanslaan. Ik blogde gisteren over de claim dat er in het vroege christendom vrouwelijke geestelijken waren. Terwijl je gewoon kunt uitleggen waar de wetenschap momenteel staat en kunt benoemen wat er nieuw is aan bepaald onderzoek, wordt ervan uitgegaan dat het publiek nog allerlei middeleeuwse noties heeft. Nu zijn er altijd mensen met verouderde opvattingen, maar die hoef je niet als norm te nemen. Er zijn immers óók mensen die de middelbare school wel hebben afgemaakt. En het bedienen van die doelgroep is een stuk interessanter omdat zij het wetenschappelijke signaal kunnen doorgeven, versterken.

Een ander voorbeeld: omdat slechts een enkele niet-oudheidkundige weet wat er in de oudheidkunde omgaat, wordt ze onderschat. Dit kan verklaren waarom wetenschapsredacties écht nieuws niet herkennen. De chronologie van de Mesopotamische Midden-Bronstijd is niet ingewikkelder dan kwantumverstrengeling, maar het onderzoek van Tije de Jong, dat even fundamenteel is, is ten onrechte genegeerd.

En let wel: dit patroon hoeft niet te bestaan. Prehistorici benadrukken ook niet meer dat Neanderthalers niet het onhandige broertje was van de Homo Sapiens. In plaats daarvan tonen ze waar het echte onderzoek over gaat.

De rol van de pers

Wetenschapsjournalisten weten niet altijd waar het nieuws zit. Er was in de media onlangs wél aandacht voor claims over de locatie van het Parthenon, hoewel lokaliseringskwesties business as usual zijn. En als er dan zo nodig over lokaliseringskwesties moet worden gesproken, komt de vraag op waarom er geen aandacht is geweest voor het onderzoek van Jan Verhagen naar de Romeinse forten tussen Xanten en Vechten.

Het punt is: wetenschapsjournalisten weten onvoldoende wat in de geesteswetenschappen belangrijk is en wat niet. Daardoor kiezen ze voor gemakkelijke, vertrouwde frames, zoals dat archeologen weer eens een schat hebben opgegraven of een mysterie onderzoeken. Het negentiende-eeuwse sjabloon van een conflict tussen geloof en wetenschap is ook een gouwe ouwe. Nog niet zo lang geleden had Trouw een heel stuk over de oosterse lichtgod Mithras. Lang geleden – daar is die negentiende eeuw weer – is eens geopperd dat het christendom leentjebuur had gespeeld bij deze cultus, en nog elk jaar is er rond kerstmis wel iemand die neuzelt dat 25 december eigenlijk de geboorte van Mithras is. Onzin, allang weerlegd, maar Trouw vond het slaapverwekkende frame “wetenschap versus religie” de moeite waard.

En let wel: dit patroon hoeft niet te bestaan. Ik zie geen enkele reden waarom een krant, een tijdschrift of een TV-programma niet gewoon even een deskundige belt. Dat geldt ook voor boekrecensies. Het is toch niet zo moeilijk om boeken over cultuurgeschiedenis niet door classici te laten bespreken, archeologische claims niet te laten beoordelen door neerlandici en kunsthistorici niet te vragen een oordeel te vellen over publicaties over godsdienstgeschiedenis.

Tot slot

Oudheidkunde is de verzamelnaam van enkele disciplines, de met elkaar gemeen hebben dat er weinig informatie is, dat ze stammenstrijdjes uitvechten, dat ze niet in staat zijn hun belang over het voetlicht te brengen en dat ze een academisch verleden hebben dat beter was dan het heden. Het vakgebied is hard getroffen door de studieduurbekorting van de jaren tachtig en het helpt niet dat de werkdruk aan de universiteiten is toegenomen.

Toch zijn er dingen die zonder al te veel moeite kunnen worden gedaan. Niemand vraagt oudheidkundigen zich te overschreeuwen met malle claims. Het is helemaal niet moeilijk te weten dat je kennis tekortschiet. Ik heb in een praatje bij de VCN weleens gepleit voor een vak “dit zijn de contouren van wat je niet weet”, zodat classici die zich op het gebied van de cultuurgeschiedenis bewegen, in elk geval weten dat ze eerst moeten lezen wat de sociale wetenschappen hebben te melden over cultuuroverdracht. Een soortgelijk vak kan ook aan archeologen en historici worden gedoceerd; mijn ervaring is dat egyptologen en assyriologen op dit punt wijzer zijn – ze weten beter dat ze onvoldoende weten.

Ik zie ook geen reden waarom niet een bureautje kan worden opgericht, analoog aan de Taaladviesdienst van Onze Taal, waar mensen terecht kunnen met vragen. Dat heeft drie voordelen. Eén: journalisten kunnen zo beter op de hoogte komen van wat er nu echt speelt. Hét verhaal van dit moment is hoe de DNA-revolutie de hermeneutische horizon irrelevant maakt en dé wetenschappelijke uitdaging is hoe oudheidkundigen nu nieuwe strategieën moeten ontwikkelen om teksten en voorwerpen te interpreteren. We hebben in tijden niet zulke spannende dingen gezien en het zou fijn zijn dat de media dáár over berichten in plaats van over de trivialiteitjes waar ze nu over schrijven.

Twee: de universiteiten kunnen via zo’n bureautje ontdekken waar de vragen nu zitten. Bijvoorbeeld de enorme behoefte aan uitleg van wat oudheidkunde maakt tot wetenschap. De tweede lijn dus. En drie: als de universiteiten wat meer contact hebben met het publiek en hun voorlichting normaliseren, hoef ik niet steeds de meest elementaire zaken uit te leggen, zoals in dit stuk.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Vergelijkingen en relevantie

In mijn vorige stukje vertelde ik dat de Oudheid voor ons relevant kan zijn, maar wees ik er ook op dat als Read more

Continuïteit en relevantie

Sommige antieke teksten illustreren aspecten van de oude wereld die hun invloed lange tijd, soms zelfs nog steeds, hebben doen Read more

Verhalende geschiedschrijving

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert Read more