Oude talen, modern nationalisme

“blond comme Hitler, mince comme Göring, grand comme Goebbels”
12 november 2020

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn eerste jaar aan de universiteit. Het leek wel alsof de stof altijd ophield op het moment dat ze interessant werd. Ik heb mijn handboek oude geschiedenis, Een kennismaking met de oude wereld van de Blois en Van der Spek, er nog even op nageslagen, en daar stond het inderdaad weer: de auteurs gebruikten woorden als “Indo-Europees” en “Semitisch”

omdat het nu eenmaal gewoonte is volken in te delen en te benoemen op grond van hun taal. De Semitische talen vertonen onderling een sterke verwantschap en hetzelfde geldt voor de verschillende onderafdelingen van de Indo-Europese taalfamilie. … De termen Semitisch en Indo-Europees hebben weinig te maken met ras of natie.

En dat was dat. Terwijl “het is nu eenmaal zo” toch echt het moment is waarop een wetenschapper sceptisch wordt. De eerdere wetenschappers hebben immers een reden gehad volken in te delen op grond van hun taal. Dat kan een goede of een slechte reden zijn geweest, maar een wetenschapper wil weten of die klopt vóór hij dat overneemt.

Die eerdere wetenschappers hadden inderdaad een reden. De simpele vraag is immers wat die overeenkomsten verklaart. We hebben in West-Europa altijd geweten dat het Nederlands, Fries, Duits en Engels teruggaan op het Germaans en dat het Frans, Spaans, Portugees, Italiaans en Roemeens teruggaan op het Latijn. In de late achttiende eeuw ontdekte men dat de Germaanse en Romaanse talen op hun beurt weer verwant zijn met de Keltische talen, het Grieks, het Perzisch en het Indisch. Deze Indo-Europese taalfamilie heeft nog meer leden, maar het moge duidelijk zijn dat de overeenkomsten tussen diverse talen, verspreid over zo’n grote afstand, om een verklaring schreeuwt. Elke lezer van Een kennismaking met de oude wereld zal teleurgesteld zijn geweest dat de auteurs die kwestie afdeden met de opmerking dat de verklaring niets met ras of natie had te maken.

De negentiende-eeuwse wetenschappers zagen hoe mensen talen overnamen. Amerika was Engelssprekend geworden door migratie. In Frankrijk waren de regionale talen gemarginaliseerd door de nadruk die de overheid legde op het Frans als eenheidstaal. Op de Balkan groeiden overeenkomsten tussen talen die naast elkaar lagen. Zonder ver te hoeven zoeken hadden de negentiende-eeuwse taalkundigen dus al drie verklaringen waarmee talen werden overgenomen: migratie, een dominante elite en kruisbestuiving. De eerste heeft alleen met ras en natie te maken als je naties taalkundig definieert, de tweede lijkt alleen met ras en natie te maken als je de staat beschouwt als een vorm waarin een natie zich uitdrukt, en de derde heeft geheel niets te maken met ras en natie.

In de vroege twintigste eeuw is die associatie desondanks toch ontstaan. Volken werden in toenemende mate gedefinieerd als de sprekers van één taal en van de verschillende verklaringen voor taalverandering werd migratie beschouwd als de belangrijkste. Eén volk was één taal en dat volk was gevormd door een migratie naar een bepaald gebied, waar het één staat behoorde te zijn. Pluriforme staten als de Donaumonarchie, Rusland en het Ottomaanse Rijk hebben dit ideeëngoed niet overleefd en Jules Destrée meende dat er in België geen Belgen waren maar alleen Walen en Vlamingen.

Door de gelijkstelling van volk, taal, gedeeld migratieverleden en staat raakte de bestudering van de Indo-Europese en Semitische taalfamilies vervlochten met de nationalistische politiek. Terwijl dat op zich niet hoefde. De overeenkomsten en de verschillen tussen de diverse Indo-Europese en de diverse Semitische talen werden verklaard vanuit het feit dat de sprekers op verschillende momenten vanuit een hypothetisch oer-land waren vertrokken, wat de op zich neutrale vraag opriep waar dat oer-land had gelegen. Al snel werd echter ook die vraag gepolitiseerd.

Men zocht naar het Indo-Europese thuisland via de gedeelde woordenschat. Als alle Indo-Europese talen dezelfde woorden hadden voor pakweg koeien, honden en paarden, moesten die dieren in het oer-land zijn voorgekomen. Een thuisland waar ook sneeuw lag, rivieren stroomden en bepaalde gewassen voorkwamen. En tot slot: een gebied waar mensen ploegden en wagens kenden, want de woorden voor wiel en dissel komen in veel Indo-Europese talen overeen. Deze laatste constatering maakte de hypothese van een Indo-Europees thuisland archeologisch toetsbaar en het waren niet de geringste onderzoekers die dachten aan de Noordduitse laagvlakte.

Die identificatie klopt niet, zoals we nog zullen zien, maar mijn punt is vandaag een ander. De nationaalsocialisten eigenden zich deze conclusie toe. De oerbewoners van Duitsland, proto-Germanen, waren de nobelste wilden aller tijden geweest. Vanuit hun Urheimat op de Noordduitse laagvlakte waren ze naar alle windstreken gemigreerd en weliswaar was de aankomst van dit noordelijke volk overal gepaard gegaan met verwoestingen, het volk had ook overal cultuur gebracht omdat het iets oorspronkelijks, iets authentieks had behouden en dus een “open mind” had meegebracht.

De associatie met het Derde Rijk heeft het vakgebied na de Tweede Wereldoorlog geen goed gedaan. Vandaar dat De Blois en Van der Spek hun vingers er niet aan wilden branden. Maar zoals gezegd: voor elke lezer van Een kennismaking met de oude wereld moet het teleurstellend zijn geweest dat er geen antwoord kwam op de vraag waarom de Indo-Europese en Semitische talen onderling zoveel op elkaar leken.

[Morgen meer en u voelt de DNA-oplossing al aankomen.]

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Dertig Egyptische dynastieën en drie Egyptische rijken

Zoals ik al eens vertelde, ben ik begonnen met het herlezen van het handboek waarmee ik in mijn eerste jaar Read more

De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Wat is een grens? (2)

[In het eerste deel van dit artikel constateerde ik aan de hand van Baktrië en Germanië dat machtsuitoefening – dat wil zeggen: dat je Read more

De eeuwige negentiende eeuw

Het kernprobleem van de oudheidkundige disciplines is het tekort aan data. Je hebt, denk ik, ongeveer vijftien boekenkasten nodig om Read more