Ongeveer zeven gedachten over inclusiviteit

8 februari 2021

Zaterdagavond zag ik de film Apollo 11, over de eerste maanlanding. Het viel me op dat er nauwelijks vrouwen en kleurlingen in beeld kwamen. Dat is geen verwijt aan de film, wel een constatering over mijn perceptie: ik verwacht bepaalde mensen te zien en het valt me op als die ontbreken. Ik neem aan dat iedereen langzamerhand die ervaring heeft. Niemand zal verbaasd zijn dat als thema voor de volgende Week van de Klassieken “de inclusieve Oudheid” is genoemd.

Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken. Soms denk ik “goed idee”, even vaak denk ik “geen goed idee”. Dat betekent dus dat het thema interessant is, maar daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat het een thema is waarmee je het belang van de klassieken kunt uitleggen. Hieronder wat losse gedachten en afwegingen.

Gedachte 1: Diversifiëring, inclusiviteit of hoe je het wil noemen, is een belangrijk thema. Niet alleen omdat musea en universiteiten de plicht hebben de hele samenleving te informeren, maar ook omdat er inhoudelijk te winnen valt. Iemand met een “zwart” perspectief kan bijvoorbeeld bronnen anders waarderen. Ik ken een boek over Amazones dat een vermelding van vrouwelijke krijgers in West-Afrika als verwaarloosbaar terzijde schoof; ze kwamen volgens de Grieken immers uit het Zwarte-Zee-gebied. Een auteur met Afrikaanse wortels zou die aanwijzing voor Afrikaanse Amazones serieuzer hebben genomen. Vermoedelijk terecht, want er zijn vrouwelijke krijgers geweest in de Bambouk.

Gedachte 2: “Inclusiviteit” is een nogal vaag thema. Uitgangspunt is dat niet alle maatschappelijke stemmen even goed worden gehoord:

  1. naar academici wordt eerder geluisterd dan naar niet-academici,
  2. naar witten eerder dan naar zwarten,
  3. naar mannen meer dan naar vrouwen,
  4. naar de stad meer dan naar het platteland,
  5. naar hetero’s meer dan homo’s.

Zie ik het goed, dan is in de oudheidkunde de tegenstelling tussen academici en niet-academici de minst herkende en daarom gevaarlijkste, terwijl de etnische tegenstelling momenteel het meest uitgesproken is.

Gedachte 3: Wat interessant en belangrijk is, is niet per se een goed idee voor wetenschapscommunicatie. De afnemers hebben immers niet dezelfde belangstelling als de aanbieders. Een voorbeeld dat ik altijd aanhaal is dat terwijl de wetenschap is verdeeld in specialismen, het publiek geïnteresseerd is in de Oudheid. (Anders gezegd: tegenover een aanbod van archeologie, geschiedenis, klassieke talen staat een vraag naar oudheidkunde.)

Ook hier speelt zoiets. De informerende partijen opperen een thema waar weinig vraag naar is.

Gedachte 3a: Ik dénk althans dat er weinig vraag is. Ik beantwoord ruim dertig vragen per dag en heb nog nooit een verzoek gehad of ik het academisch discours over inclusiviteit wilde uitleggen. En let wel: ik krijg regelmatig suggesties dat de wetenschap te eenzijdig is.

Gedachte 3b: Dat de vraag naar een bepaald onderwerp niet bestaat, wil niet zeggen dat je mensen niet mag voorhouden “hier, kijk, dit is interessant”. Ik doe, geloof ik, niet anders dan tonen dat een onderwerp waarvoor weinig maatschappelijke aandacht is, die aandacht wel verdient. Maar of je resultaat boekt op deze manier?

Gedachte 4: Onlangs kreeg ik een mailtje onder ogen over een leuk initiatief om wetenschappelijke inzichten beter te delen. Kon het niet wat inclusiever, was het verwijt, want de sprekerslijst toonde geen people of color. Lullig, want de betrokkenen hadden hun best gedaan. Het voorval illustreert dat er nogal eens wordt afgerekend vanuit te snelle aannames. Dat is ergerlijk maar niet erg; het betekent dat mensen weten dat er iets op het spel staat.

Maar moet je een ongestructureerde discussie, die soms het slechtste uit ons bovenhaalt, meenemen in de publieksvoorlichting? Ik weet het niet. Niemand zal het ons kwalijk nemen als we in de Week van de Klassieken een beetje aardig voor de dag willen komen. Omgekeerd is de voorlichting over de Oudheid ontzettend tam. Het mag best wat pittiger.

Gedachte 5: Je wil rekening houden met alle perspectieven. Ik heb onlangs met belangstelling gekeken naar een Algerijnse Augustinusfilm. Ik weet echter niet zeker of ik er iets mee heb gewonnen, want de Augustinus die hier werd neergezet, was in feite die van voor de ontkerkelijking. Die indruk heb ik wel vaker. Ik wil best aandacht besteden aan Iraanse visies op Cyrus de Grote, op niet-westerse visies op een zwarte erfenis aan Griekenland, en aan Armeense visies op Armenië. Maar te vaak zie ik dat die alternatieve visies niet alle data incorporeren.

Gedachte 5a: Vanzelfsprekend is het lastig voor niet-academici om alle relevante data te incorporeren als die achter betaalmuren liggen.

Gedachte 5b: Het is ook voor academici moeilijk alle relevante informatie mee te noemen. Classici weten te weinig van archeologie en andersom.

Gedachte 6: Ik las gisteren dit artikel van Bart de Coo n.a.v. een boek van E.D. Hirsch, How to Educate a Citizen. U kunt Hirsch kennen: als antwoord op Blooms The Closing of the American Mind publiceerde hij Cultural Literacy. What Every American Needs to Know. Dat is het uitgangspunt van ons Cultureel Woordenboek. Verondersteld is dat er kennis bestaat die iedereen moet hebben. Uit het stuk van De Coo haal ik een passage die me aansprak:

[D]e bezwaren … komen van twee groepen mensen. De eerste groep wordt gevormd door de mensen die zich moeilijk kunnen vereenzelvigen met de dominante cultuur. De tweede groep wordt gevormd door de mensen die onderwijs in voorgeschreven kennis beschouwen als geestdodend. … Beide groepen hebben ongelijk.

Kennis van alle zaken die de elite stilzwijgend als bekend veronderstelt, geeft de mensen die deel willen uitmaken van deze elite de kans om gehoord te worden, om serieus genomen te worden, om door deze elite herkend te worden als een van hen, met alle gunstige gevolgen voor de emancipatie van allerlei groepen van dien: Martin Luther King kende het elitaire kenniscorpus door en door, hij kende de Bijbel en de klassieke retorica als geen ander en hij had een reusachtige woordenschat, en juist dat stelde hem in de gelegenheid tot het bewerkstelligen van heftige maatschappelijke veranderingen en tot het mobiliseren van miljoenen.

We kunnen, vervolgt De Coo, de gemeenschappelijke kennis vergelijken met munten. Doordat ze hetzelfde en inwisselbaar zijn, kun je er overal mee terecht. En hoe meer je ervan bezit, hoe meer je ermee bereiken kunt. Zoals gezegd sprak dit me aan, al herken ik de problemen.

Gedachte 6a: De vraag is natuurlijk wie het gedeelde curriculum samenstelt. De Coo noemt de Canon van Nederland als voorbeeld van hoe het zou kunnen. Dit zal weinig oudheidkundigen overtuigen. De Commissies Commissie Van Oostrom en Kennedy hebben hen immers genegeerd. De archeologen hebben ook aangegeven dat het wél zinvol is deskundigen mee te laten praten, ironisch genoeg juist omdat de Canoncommissie een te “wit” beeld van het verleden gaf.

Gedachte 6b Ik ben er niet zeker van of “mensen die zich moeilijk kunnen vereenzelvigen met de dominante cultuur” wel profijt hebben van meer gedeelde culturele kennis. Gewoon, ik weet het niet. Al geloof ik wel dat meer kennis altijd beter is dan minder. Dus één ding staat als een paal boven water: kennis moet gedeeld. Wie informatie bezit maar niet deelt, speelt maatschappelijk geen rol.

Gedachte 6c: Om die reden is het begrijpelijk dat classici, die ooit veel invloed hadden op de bepaling van de culturele canon, deze invloed hebben verloren. Enkele positieve uitzonderingen niet te na gesproken deelden ze onvoldoende professioneel.

Gedachte 7: Ik wil – gedachte 5 nog even – rekening houden met een veelvoud aan perspectieven maar het ontbreekt in elk geval in sommige niet-westerse visies aan feitenkennis. Iedere discussie over inclusiviteit moet daarom vooraf worden gegaan door een andere discussie: die over open access en over de schade die is aangericht doordat bad information drives out good.

Summa summarum: In een samenleving als de onze, waarin het ontbreken van gezichten en stemmen je opvalt, is inclusiviteit vanzelfsprekend. Maar niet alle stemmen zijn even geïnformeerd. Wie meer inclusiviteit wil, moet ervoor zorgen dat alle bevolkingsgroepen gelijkelijk toegang hebben tot wetenschappelijke informatie.

[Dit stukje verscheen oorspronkelijk op de Mainzer Beobachter.]

Deel dit blog:
Wanneer is een historicus een historicus?

Aanstaande woensdagavond is er een online-presentatie van Vincent Huninks nieuwe vertaling van de Annalen van de Romeinse auteur Tacitus. U Read more

Persbericht: Week van de Klassieken

De Week van de Klassieken gaat dit jaar geheel online. Rond het thema ‘de inclusieve oudheid’ zijn er van 8 Read more

Persbericht: Week van de Klassieken

De Week van de Klassieken gaat dit jaar geheel online. Rond het thema ‘de inclusieve oudheid’ zijn er van 8 Read more

Factcheck: Het Afghanistan van Louise Fresco

Het is ogenschijnlijk triviaal, maar toch: de column van Louise Fresco in het Handelsblad van gisteren, daarover heb ik wat Read more