Nepklassieken

12 november 2020

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, was ik dit voorjaar in Albanië en omdat we de reis eindigden in het uiterste zuiden van dat wonderschone land, was het eenvoudiger terug te vliegen vanaf Korfu dan vanuit Tirana. Op de luchthaven zag ik bovenstaande kalender. Die is fout op zó veel manieren.

Om te beginnen de selectie, waaraan vrouwen ontbreken, terwijl een Sapfo toch niet de geringste bewoner der Parnassos is geweest. “Maar we hebben van haar slechts enkele gedichten en fragmenten!” zou de kalendermaker kunnen tegenwerpen, en dat is waar. Maar weet u, van Sokrates hebben we helemaal niets, zelfs geen fragmenten, en die krijgt wel een plek. “Maar Sokrates had enorme invloed!” Ja, maar als invloed het criterium is, dan moet je toch eerder Sapfo opstellen dan Pindaros. Ik zou dan ook een Archimedes hebben verwacht. Je zou bovendien kunnen denken aan de evangelisten, de meest gelezen en vaakst vertaalde Griekse auteurs aller tijden.

Het volgende probleem zit dieper: deze kalender is een uiting van grote-mannen-geschiedenis, ofwel het idee dat cultuur wordt gevormd door enkele cruciale eenlingen. Dat is echter een volkomen achterhaalde kijk op de wijze waarop culturen functioneren. Zaken als het begrotingstekort zijn niet tot individuen te herleiden maar bestaan wel degelijk en spelen een rol bij het bepalen van de koers van het schip der staat. Het gaat dus niet alleen om individuen, cultuur wordt tevens gevormd door abstractere zaken, en die cultuur, die willen wij kennen. Wie in de eenentwintigste eeuw nog een ontologisch en methodisch individualisme aanhangt – om de jargontermen te gebruiken – is óf achtergebleven in de tijd van de stoommachine óf vol weerzin tegen een ruime eeuw wetenschappelijk onderzoek óf kalendermaker. In elk geval heeft het weinig van doen met de antieke cultuur, met onze eigen cultuur, met de relatie tussen de toenmalige en de hedendaagse cultuur, of met welke vorm van cultuur dan ook.

Maar zelfs als grote-mannen-geschiedenis niet zou zijn ingehaald door een ruime eeuw wetenschap, dan nog is het vreemd het belang van die grote mannen te reduceren tot citaten en biografieën. Bij het gymnasiumexamen (dat is opgehangen aan “examen-auteurs” en dat dus even individualistisch als negentiende-eeuws van aard is) krijgen de leerlingen tenminste nog de eigenlijke teksten te lezen en moeten ze aangeven dat ze de ideeën van die grote mannen begrijpen. Deze kalender laat zelfs dát achterwege. De makers staan in dezelfde spagaatstand ten aanzien van de antieke cultuur als die rechter die met een briefje liep met een antiek nepcitaat: enerzijds wél het verlangen er inspiratie aan te ontlenen, anderzijds geen verlangen daar werkelijk kennis van te nemen.

O wacht – inspiratie. Krijgen we dat weer.

Natuurlijk mogen we mensen uit het verleden bewonderen en proberen in hun voetsporen te treden. Ik heb iemand gekend die, toen ze had gelezen over Albert Schweitzer, besloot tropenarts te worden en ik weiger haar keuze belachelijk te vinden. Tegelijk: dergelijke keuzes zijn individueel. Ze zijn niet waarom we als samenleving geld geven aan wetenschappers, musea en stichtingen.

Het belang van cultuur-in-het-algemeen ligt ergens anders en dat geldt dus ook voor het belang van het deelgebied dat we aanduiden als klassieken of Oudheid. In elk geval willen we er als maatschappij mee winnen aan kwaliteit.

Uiteindelijk draait het om de ideeën. Ideeën die we niet kunnen reconstrueren uit het denken van één persoon, maar die in de antieke samenleving als geheel gangbaar waren. Zo is de visie die Herodotos heeft op de goddelijke jaloezie, niet specifiek is voor hem; hij deelde die met zijn tijdgenoten.

In diezelfde tekst, de Historiën dus, gaat het er onder meer om dat je niemand gelukkig kunt noemen voor je weet hoe diens leven is afgelopen, en je bent geneigd dat af te doen als de scheurkalenderwijsheid die het inderdaad is, maar als je je erin verdiept ontdek je dat de Griekse notie van geluk, die niet alleen is te vinden bij Herodotos maar veel algemener bestond, meer lijkt op die van het huidige Nabije Oosten dan op de onze. Zo ontdek je dat ons geluksbegrip niet het enig mogelijke is, win je aan begrip van je eigen ideeën en worden we als samenleving wat wijzer.

Voor de archeologie geldt hetzelfde. Een archeoloog kan de limes benutten om te begrijpen dat onze eigen ideeën over de territoriale begrenzing van staten niet de enig mogelijke zijn. Zo doorgronden we onze eigen opvattingen beter en worden we verstandiger.

Zo zou het althans behoren te zijn en uiteraard ken ik de tegenwerpingen. Inderdaad, je kunt dezelfde winst aan inzicht bereiken door een tijdje in het Midden-Oosten te gaan wonen. En inderdaad, oudheidkundigen doen in de praktijk precies de dingen die ze niet moeten doen als ze de samenleving wat meer inzicht wensen te bieden. Deze kritiek snijdt hout maar ze zijn het onderwerp voor andere stukjes, die de trouwe lezer van deze blog al te vaak heeft gelezen. Vandaag ging het me alleen om het schetsen van het ideaal en om de constatering dat Griekse kalendermakers aan vliegtuigreizigers knollen voor citroenen verkopen.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
De laatste dagen van Plinius de Oudere

Laten we eerlijk zijn: archeologen zéggen dat ze heel goed zonder teksten kunnen – zeker Lewis Binford was op dit Read more

Individu en proces

Het bovenstaande screenshot haalde ik van de website van de Evangelische Omroep. Als historicus krijg ik hiervan een acute hartverzakking. Read more

De Oudheid in het nieuws

Straks begint Oog op de Oudheid, het evenement waartoe Timo Epping van het Rijksmuseum van Oudheden en ik, destijds namens Read more

Grieken in het Verre Oosten

Momenteel is de Week van de Klassieken, die is gewijd aan de Inclusieve Oudheid. Eén van de aspecten van dat Read more