Multi- en interdisciplinariteit

Grafportret uit de Kharga-oase (Louvre, Parijs)
12 november 2020

Woorden hebben betekenissen maar die betekenissen kunnen verschuiven. Als mensen zouden beginnen de zaterdag “satyrdag” te noemen, zullen er aanvankelijk puristen zijn die vinden dat het eigenlijk anders is, maar zij zullen uitsterven en vanaf dan heet de laatste dag van de week satyrdag. Zo gaat het. De kinderbewaarplaats van weleer heette daarna kleuterschool en nu basisschool. Betekenisverschillen die ooit belangrijk waren, kunnen verdwijnen: de dromedaris gaat steeds vaker kameel heten.

En wat ooit multidisciplinair heette wordt nu op één hoop gegooid met interdisciplinair. In dat geval gaat er iets van waarde verloren. Vandaar dat ik even de purist ga uithangen.

Onlangs blogde ik erover dat ik de kleuren van moderne reconstructies van antieke sculptuur ongeloofwaardig vond en dat een portret als dat uit Kharga bewees dat ze in de Oudheid heus wel wisten hoe het natuurgetrouwer moest. Ik had de resultaten van kunsthistorisch onderzoek overgenomen en hoewel ik er vragen bij had, had ik de resultaten niet betwijfeld. Het overnemen van een resultaat uit een vakgebied dat het jouwe niet is, heette ooit multidisciplinair.

De kop uit Kharga had me doen beseffen dat ik een probleem had genegeerd. Ik wist dat het onderzoek waarmee ze die kleurige reconstructies maken, plaatsvindt in laboratoria waar ze met hoog-energiek licht antieke beelden analyseren. Maar wat ik niet wist, is hoe de laboranten van een signaal op deze of gene frequentie komen tot de keuze van de pigmenten voor een reconstructie, hoe ze bij de reconstructie kiezen voor een bepaalde kleurintensiteit en wat ze vervolgens presenteren. Anders geformuleerd: ik kende wel de conclusies maar niet het eigenlijke onderzoek – de methoden, de theorie, de vertaalslagen, de aannames, de kwaliteitsnormen. Zou ik dat laatste wel hebben doorgrond, dan was het interdisciplinair.

Op het eerst gezicht zou je zeggen dat het niet zo belangrijk is dat je de methoden doorgrondt van een vakgebied dat het jouwe niet is, als je maar weet dat de beoefenaren hun werk naar behoren doen. Maar zo eenvoudig is het niet en als voorbeeld neem ik de ontvangst van Nico Roymans’ herinterpretatie van de vondsten bij Kessel: geen heiligdom maar een slagveld. Mij viel op dat archeologen die ik erover sprak, steeds een betere bevestiging eisten vanuit de vondsten. Bezien vanuit archeologisch perspectief is die eis zinvol. Archeologen willen alles bewijzen vanuit hun vondsten en de correspondentietheorie van de waarheid is hun voornaamste norm. De historicus, die al heel blij is als hij aan de coherentietheorie van de waarheid kan voldoen, kan echter weinig met die eis. Twee vakgebieden praten langs elkaar op omdat ze methodisch niet hetzelfde zijn gestructureerd. Als je je daarvan niet bewust bent, zul je je eigen kwaliteitsnormen projecteren op het andere vakgebied en resultaten gemakkelijk verkeerd beoordelen.

De vraag wie in dit voorbeeld gelijk heeft – de archeoloog of de historicus, Roymans of zijn critici – is triviaal. De feitelijke vraag is waarom oudheidkundigen deze kwesties niet wat structureler bespreken. Zolang er geen consensus is over de aard van een oudheidkundig bewijs is het tijdverspilling de vraag te stellen of Roymans zijn stelling heeft bewezen.

Ik ben bang dat we nog lang kunnen wachten op de discussie over de aard van het bewijs. Een deel van de verklaring is dat studenten er onvoldoende mee worden geconfronteerd tijdens de te korte oudheidkundige opleidingen. De studenten en – in toenemende mate – de onderzoekers weten te weinig van andere vakterreinen. Toen ik onlangs blogde over de vraag van welke voor-Romeinse stam Heerlen de voornaamste nederzetting was geweest, werd me steeds duidelijker dat de betrokken archeologen het taalkundig bewijsmateriaal niet alleen niet konden beoordelen, maar zelfs niet hadden bekeken. Dit is dan – ik zeg het erbij – nog een groep goede archeologen. Maar de groep heeft dus een kennislacune.

Archeologen zijn goed in het verzamelen van nieuwe data maar zijn onvoldoende toegerust om die data te interpreteren vanuit alle relevante invalshoeken, zodat ze komen tot onvoldragen conclusies. Classici hebben het omgekeerde probleem: ze zijn goed in interpretatie maar onvoldoende kritisch in hun omgang met nieuwe data.

Er zou wat zijn gewonnen als het onderscheid tussen multi- en interdisciplinariteit terugkeerde. Hierdoor raken wetenschappers zich er meer van bewust dat er dingen zijn die ze niet kunnen boeoordelen. Dat zou het begin zijn van alle wijsheid. Of om hetzelfde punt anders te maken: wetenschappelijk specialisme heeft uitsluitend zin als de onderzoeker de contouren kent van wat hij niet weet. En de opleidingen schieten op dat punt ernstig tekort.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Vergelijkingen en relevantie

In mijn vorige stukje vertelde ik dat de Oudheid voor ons relevant kan zijn, maar wees ik er ook op dat als Read more

Continuïteit en relevantie

Sommige antieke teksten illustreren aspecten van de oude wereld die hun invloed lange tijd, soms zelfs nog steeds, hebben doen Read more

Verhalende geschiedschrijving

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert Read more