Technologisch determinisme

Frederik de Grote (Berlijn)
15 februari 2021

Ik schreef vorige week over de Lex Roscia. Die presenteerde ik in het licht van enerzijds de Romeinse burgeroorlogen, die gewonnen zouden worden door de partij die de meeste soldaten kon oproepen en daartoe het kwistigst omging met burgerrechtverleningen, en anderzijds van een soort globaliseringsproces. Dat laatste, zo schreef ik, vloeide voort uit betere technieken om ijzer te bewerken, waardoor de welvaart was toegenomen, de vraag naar importproducten was gestegen, de handelsnetwerken waren vergroot, mensen meer met elkaar te maken kregen en oorlogen konden plaatsvinden, die uiteindelijk werden gewonnen door de grootste staat. Het zo ingezette proces van schaalvergroting moest wel leiden tot één wereldrijk waarin iedereen (of althans alle vrijgeboren mannen) gelijke burgerrechten had.

Er zijn hier twee problemen. Het eerste is dat het verhaal incompleet is. Naast het Romeinse Rijk bleef immers een Parthisch Rijk bestaan. Ik vermoed dat het unificatieproces op zijn natuurlijke grenzen stuitte. Beide rijken hadden alle grondstoffen die ze nodig hadden; handel was er wel maar was niet noodzakelijk. Toen men na enkele oorlogen had ontdekt dat het lastig zou zijn de ander te verslaan, zag men er maar van af. Denk ik. Ik weet het niet.

Technologisch determinisme

Het tweede probleem is interessanter. Het staat bekend als technologisch determinisme. De aanname in mijn stukje was dat een technologische ontwikkeling de samenleving in een bepaalde richting duwt. Een nieuwe techniek geeft vleugels aan degenen die haar beheersen, die krijgen vervolgens invloed en zorgen ervoor dat ze de samenleving naar hun hand zetten, en dat bakenen ze juridisch af. Bot en ongenuanceerd samengevat: de technologische en economische onderbouw bepaalt de maatschappelijke en ideologische bovenbouw.

Maar gaat het werkelijk zo? Over de mate waarop de geschiedenis technologisch is gedetermineerd is vooral in marxistische kring gesproken. Daarbij ging het niet, zoals bij mij, om politieke unificatie, maar om klassenstrijd. Toch denk ik dat we er zinvol kennis van kunnen nemen.

Voor Marx was het evident dat door nieuwe technieken andere maatschappelijke groepen boven kwamen. Veranderende productiemiddelen leidden tot veranderende productieverhoudingen leidden tot een veranderende productiewijzen: van de Sklavenhaltergesellschaft naar de feodale naar de kapitalistische naar de communistische productiewijze. In deze ontwikkeling zou het aantal betrokken klassen steeds geringer worden tot uiteindelijk één klasse overbleef en de heilstaat was bereikt.

Frederik de Grote

Hoe naturnotwendig was die ontwikkeling? Het is op dit punt zinvol te kijken naar een beroemde discussie uit de voormalige DDR. Rond het midden van de jaren zeventig vestigde historica Ingrid Mittenzwei de aandacht erop dat in het Pruisen van de achttiende eeuw de Erbuntertänigkeit, een feodale vorm van onvrije arbeid, niet alleen was blijven bestaan maar ook steviger geïnstitutionaliseerd was geraakt. Dat was wonderlijk, want in West-Europa slaagde de bourgeoisie erin de feodale verhoudingen te beëindigen en de macht te verwerven.

In haar biografie van de Pruisische vorst concludeerde Mittenzwei dat Frederik erin was geslaagd de ontwikkeling van feodale naar kapitalistische samenleving een halt toe te roepen, ja te doen omkeren. Haar boek, inmiddels een klassieker, verscheen pas enkele jaren later, in 1979. Na ampele beraadslagingen in het Politbüro. De discussie ging niet alleen over de vraag of één individu zo’n invloed kon hebben, maar vooral over de vraag of er werkelijk een historische onvermijdelijkheid was waarmee de ene productiewijze op de andere volgde. Of waren macht en geweld middelen om de geschiedenis een andere loop te geven?

Pompeius

Uiteindelijk accepteerde de DDR de rol van Frederik als onderdeel van haar eigen geschiedenis, maar daar gaat het mij nu niet om. Het gaat me om de onvermijdelijkheid.

In de Mediterrane wereld was een proces gaande van steeds verder gaande integratie, dat kon leiden tot één Mediterrane staat en onder leiding van één man. Zoveel staat vast. Maar als Pompeius in de door hem gewonnen veldslag bij Dyrrhachium de troepen van Caesar niet had laten ontsnappen, had het anders kunnen lopen. Op de korte termijn zou een republiek zijn blijven bestaan met een wat meer hiërarchisch karakter.

Misschien zou er dan een ander zijn geweest die de burgerrechten breed zou uitdelen; misschien zou de republiek ten onder zijn gegaan aan de ressentimenten van de wingewesten. We weten het niet. Misschien is het het beste te concluderen dat er tussen die technologische en economische globaliseringsprocessen en de kwistige burgerrechtverleningen een Wahlverwantschaft heeft bestaan.

[Dit was het 500e stuk op GrondslagenNet. Het verscheen eerder vandaag op Mainzer Beobachter.]

Deel dit blog:
Geld, cultuur en welzijn (2)

Reconstructie van een inscriptie (op naam van Plinius de Jongere) met een schenking aan de stad Como (Museo nazionale della Read more

Geld, cultuur en welzijn (1)

Het Romeinse Rijk behoorde tot de grootste, rijkste en meest stabiele rijken in de wereldgeschiedenis. Hoe valt het economisch succes Read more

De Green-collectie, het recht en zijn manke loop

Langzaam komt het einde in zicht voor een van de schandalen die de oudheidkunde momenteel teisteren. En wat in zicht Read more

De Bergrede (12): De andere wang

Sint-Nikolaas in actie als ketterpletter: hij slaat op de linkerwang. De Bergrede, dat is toch een verdraaid aardige tekst. Ik Read more