Messias (4)

29 november 2020

Ik heb nu geschreven over – hier is het eerste deel – dat het idee van een messias aanvankelijk volkomen seculier was: een ideale heerser uit het Huis van David. Misschien verschijnend in de Eindtijd. Misschien voorzien van een hogepriesterlijke collega. Er zijn nogal wat mogelijkheden. In het Jodendom is echter, anders dan in het christendom, het idee zeldzaam dat deze messias ook de Mensenzoon was die het Laatste Oordeel zou vellen. Het was echter niet ondenkbaar.

Middelaarfiguren

Hier betreden we het terrein van de “middelaarfiguren”. Er zijn teksten waarin verlosser-achtige figuren voorkomen met een bovenmenselijke, hemelse status, alleen ondergeschikt aan God zelf. In de Oorlogsrol treden bijvoorbeeld de engel Michaël en de Lichtvorst op als eschatologische redders.

De Gelijkenissen van Henoch melden dat de Mensenzoon, die “zal zijn als een staf voor de rechtvaardigen en als een licht voor de heidenen”, al bestond vóór de Schepping. De Uitverkorene, zoals degene die het Laatste Oordeel zal vellen ook heet, is dus, om een jargonterm te gebruiken, pre-existent. De hemelse herkomst van zulke figuren blijkt soms uit natuurwonderen: de messias kan bijvoorbeeld mensen doden met zijn vurige adem. (Bar Kochba werd er door zijn vijanden van beschuldigd een kunstje te doen als vuurvreter.)

Zoon van God

Soms worden messiaanse figuren aangeduid met de titel “zoon van God”, zoals in een beroemd fragment van de Dode Zee-rollen (4Q246) en in het apocrieve boek 4 Ezra. Dit was een op zich gewone oosterse manier om antieke vorsten aan te duiden. De uitdrukking kon synoniem zijn voor “rechtvaardig”.

De evangelist Marcus gebruikt de woorden voor Jezus van Nazaret en lijkt daarbij eerder te hebben gedacht aan een koninklijke titel of een typering van ’s mans rechtvaardigheid dan aan een werkelijke familieband. Hij vertelt althans geen geboorteverhaal waarin Jezus’ herkomst uit het Huis van David wordt gedocumenteerd, laat staan een goddelijke afkomst.

Mattheüs en Lukas, die wel met die gedachte spelen, kunnen zijn beïnvloed door de Grieks-Romeinse wereld, waarin van vooraanstaande filosofen en belangrijke vorsten werd beweerd dat ze waren verwekt door een godheid: Pythagoras, Plato, Alexander de Grote en Apollonios van Tyana zijn voorbeelden.

Alles bij elkaar

Eén ding is in dit alles duidelijk: er was geen systeem. Dat de messias afstamde van David, valt bijvoorbeeld lastig te harmoniseren met het idee dat hij pre-existent was.

De joden vonden het zelf ook verwarrend en begonnen messianologieën te combineren. Michael, Melchisedek en de Lichtvorst werden drie namen voor dezelfde persoon. De rechter die het Laatste Oordeel zou vellen, kon worden aangeduid als Mensenzoon, maar ook als de Uitverkorene. In de Gelijkenissen van Henoch is deze bovendien de Messias. (Dit keer met een hoofdletter.) Tot slot ontdekt Henoch, de mysticus die het allemaal opschrijft, dat hij zélf de Uitverkorene, de Mensenzoon en de Messias is.

Kleine Jahweh

Het was onvermijdelijk dat alle figuren zouden worden samengevoegd tot één engel, die gold als Gods vizier, die de wereld bestuurde. Voor dit denkbeeld zijn diverse oorsprongen aan te wijzen, zoals het Griekse logos-idee, maar er is ook een “intern-Joodse” ontwikkeling in dezelfde richting geweest. Die vinden we in de tekst die bekendstaat als Sefer Hechalot (“Het boek der hemelse paleizen”) of 3 Henoch.

In deze wonderlijke tekst, die gelukkig wél in het Nederlands is vertaald, wordt de wereldbesturende engel door God in koninklijke gewaden gestoken en krijgt hij de naam “de kleine Jahweh”, hoewel hij al Henoch en Metatron heette. Die laatste naam, die zoiets als “troongenoot” betekent, verwijst naar de passage in Daniël waarin tronen – meervoud – worden neergezet voor God en even later de Mensenzoon het Laatste Oordeel komt vellen. Er werd in de Oudheid gedebatteerd over degene die op de tweede troon zat en in Sefer Hechalot is dat dus de kleine Jahweh.

De messias als God

Onnodig te zeggen dat hier een vacature viel te vervullen. Dat Jezus, volgens een door Paulus geciteerde (en dus: pre-Paulinische en dus joodse) hymne in de Filippenzenbrief, “de naam boven alle namen” krijgt, bewijst dat de allereerste volgelingen van Jezus hem al beschouwde als de tweede persoon van wat minimaal een twee-eenheid is geweest.

Voor ik afrond nog even een punt waar aarzeling mogelijk is. Over de vraag wanneer Sefer Hechalot is geschreven, zijn de meningen namelijk verdeeld. Eén ding is daarbij echter duidelijk: het visioen over de kleine Jahweh moet heel oud zijn. Het kan niet meer zijn bedacht nadat de christenen hun messias, de Mensenzoon en Gods Woord waren gaan gelijkstellen en een hemelse troon hadden toegedacht. Daarom moet het idee van een bovennatuurlijke Messias dateren van vóór het midden van de eerste eeuw n.Chr.

Het denkbeeld van een pre-existente tweede persoon van een goddelijke twee-eenheid, gelijk te stellen aan de messias, behoorde zeker niet tot dat deel van het religieuze erfgoed waar alle joden het over eens waren. Maar het is wel degelijk joods erfgoed.

[Het bericht Messias (4) verscheen eerst op Mainzer Beobachter.]

Deel dit blog:
Messias (3)

Ik heb in de twee eerste stukjes (één, twee) verteld hoe het messianisme is ontstaan als een droom over een Read more

Messias (2)

In mijn eerste stukje vertelde ik dat het Joodse messias-concept een concreet, in dit ondermaanse uitvoerbaar programma was: een koning Read more

Messias (1)

Ik ben begonnen met een reeks om de joodse achtergronden van het Nieuwe Testament uit te werken. Het tweede deel Read more

De Bergrede (5): de lichtmetafoor

Tijd om het weer eens over de Bergrede te hebben, en dan meer in het bijzonder over de lichtmetafoor. Die Read more


Categoriën: Christendom, Jodendom