Messias (1)

28 november 2020

Ik ben begonnen met een reeks om de joodse achtergronden van het Nieuwe Testament uit te werken. Het tweede deel van de Bijbel is immers, net als het eerste, geschreven door joden, Of misschien beter: mensen die niet wisten dat wij hen christenen zouden noemen, een woord dat je zou kunnen vertalen als “volgelingen van de messias”. Beide woorden, messias en christus, betekenen hetzelfde: gezalfde.

Zalving is een oud-oosters ritueel om iets te heiligen. De held van het Mesopotamische Zondvloedepos doopt de ark met een kruikje olie; koningen en religieuze autoriteiten ontleenden hun legitimatie aan hun zalving. Tot zover niets bijzonders. Vanaf de vroege eerste eeuw v.Chr. kenden de Joden echter een heel expliciet verlangen naar een messias, een koning die regeerde met Gods hulp. Dit was een reactie op de regering van de Joodse koning Alexandros Yannai, die zijn land in een burgeroorlog had gestort. Vanaf toen speculeerden Joden over een betere heerser. En wat lag meer voor de hand dan erop te hopen dat deze afkomstig zou zijn uit het Huis van David?

De messias – het woord is een vernederlandsing van het Aramese mešîhâ’ – begon zijn carrière dus als een vorst. Het was geen loze utopie. In Jeruzalem is een graf bekend dat, getuige het opschrift, in gebruik was bij afstammelingen van de familie van David. Die hoeven niet werkelijk af te stammen van op deze al acht, negen eeuwen eerder overleden vorst, maar het graf bewijst dat er in de eerste eeuw mensen waren die geloof vonden voor de claim. Joodse (en later: Romeinse) bestuurders reageerden dan ook doorgaans als door een adder gebeten als zich een messias aandiende. Een “zoon van David” kwam uit de juiste familie en wanneer zo iemand geloof vond, was hij gevaarlijk.

Als Pilatus Jezus executeert als ὁ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων, “de koning van de Joden”, is dat in lijn met deze oorspronkelijke betekenis: een politieke, maar al te aardse. Voor liefhebbers van de spellingsdiscussie: het woord messias moet dus met een kleine letter, want het is geen religieuze titel.

Althans niet in dit geval. En dat is wel een belangrijk punt. In de christelijke traditie zijn er allerlei dingen bij gekomen. De christelijke verlosser is immers ook de Mensenzoon uit Daniël 7 en speelt een rol in het kosmische drama van de Eindtijd. De christelijke literatuur verbindt namelijk twee van oorsprong gescheiden tradities: enerzijds messianisme, anderzijds eschatologie ofwel de verwachting van de Eindtijd. Dat de messias iets met de Eindtijd heeft te maken, is in de Joodse literatuur bepaald niet vanzelfsprekend, al is de combinatie wel bekend. Dat de toekomstige ideale koning niet alleen in de Eindtijd regeert maar daarnaast óók de Mensenzoon is die aan het einde der tijden ook het Laatste Oordeel velt, zo vanzelfsprekend in het christendom, is in het Jodendom (bij mijn weten) uitsluitend bekend uit de tekst die bekendstaat als de Gelijkenissen van Henoch. Dit is overigens ook de enige tekst waarin de Mensenzoon geldt als pre-existent, dat wil zeggen: ontstaan voor de Schepping.

(Tussen haakjes: ik hoop al jaren op een goede Nederlandse vertaling van de Gelijkenissen van Henoch, maar de van oorsprong Hebreeuwse of Aramese tekst is alleen bekend in het Ge’ez, een Ethiopische taal.)

[Wordt vervolgd. Het bericht Messias (1) verscheen eerst op Mainzer Beobachter.]

Deel dit blog:
Messias (4)

Ik heb nu geschreven over – hier is het eerste deel – dat het idee van een messias aanvankelijk volkomen Read more

Messias (3)

Ik heb in de twee eerste stukjes (één, twee) verteld hoe het messianisme is ontstaan als een droom over een Read more

Messias (2)

In mijn eerste stukje vertelde ik dat het Joodse messias-concept een concreet, in dit ondermaanse uitvoerbaar programma was: een koning Read more

De roeping van de eerste leerlingen (2)

Als we kijken naar de tekst die ik zojuist plaatste, valt meteen op dat Lukas het verhaal van Jezus’ roeping Read more


Categoriën: Christendom, Jodendom