Mesopotamië in het derde millennium

Koning Maništušu van Akkad; kopie van een in de Ištartempelk in Nineveh gevonden portret. Het origineel is in Bagdad; deze kopie komt uit het British Museum in Londen.
26 maart 2021

In mijn reeks naar aanleiding van het handboek waarmee ik ooit oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, vandaag een stukje over het derde millennium in het Nabije Oosten. De verdeling die de auteurs aanbrengen in paragrafen over enerzijds Egypte en anderzijds de Sumeriërs en Akkadiërs – dat is een erfenis uit de tijd dat oudheidkundigen alleen deze twee culturen kenden en dan vooral uit teksten.

Het plaatje is nu helemaal anders. De archeologie documenteert de Vroege Bronstijd in een veel grotere regio. De handel in tin zorgde voor contacten en ideeënuitwisseling, waardoor netwerken ontstonden van Oezbekistan tot Mesopotamië en van de Atlantische kusten tot Egypte. Jiroft is een belangrijke nederzetting in Iran en het BMAC is een van de fascinerendste beschavingen die is herkend sinds De Blois en Van der Spek de eerste versie van hun handboek naar de drukker brachten. De nadruk die zij leggen op de twee traditionele “oerculturen” is niet verkeerd – die twee culturen schreven tenminste – maar ik vermoed dat als ze hun boek nu zouden opzetten, ze één hoofdstuk zouden maken waarin het geheel van culturen zou worden behandeld.

Talen

Mesopotamië is ondertussen voor veel mensen een grote onbekende. In het zuiden van Irak en het zuidwesten van Iran ontstonden rond 3000 v.Chr. diverse stadstaten, waar drie talen werden geschreven: Sumerisch, Elamitisch en Akkadisch. De laatste taal, een Semitische, zou de dominante zijn in het latere Babylonië en Assyrië; alle drie overleefden ze als literaire taal het tweede millennium tot ze in het eerste millennium v.Chr. door het Perzisch, het Kanselarij-Aramees en het Arabisch werden overvleugeld. De spijkerschriftliteratuur is te volgen tot in de derde eeuw. Ná Christus, wel te verstaan.

Die vroege stadstaten kennen we uit duizenden kleitabletten, zeker uit de laatste fase van het derde millennium, de tijd die bekendstaat als Ur III of de Derde Dynastie van Ur. De naam “Sumerische Renaissance” is te ingeburgerd om nog te vergeten, maar bedenk: renaissances volgen gemeenlijk op duister geachte eeuwen en als u begrijpt dat de voorgaande periode die was van het Semitisch-schrijvende Akkad, weet u waarom er aan de naam “Sumerische Renaissance” een nare bruine lucht hangt.

Uit de Ur-III-tijd zijn tienduizenden kleitabletten bewaard. De Blois en Van der Spek houden het zelfs op honderdduizenden. Dit is oudheidkundigen-speak voor “het materiaal is grotendeels onuitgegeven”. Eigenlijk staat er ook “geef nu eindelijk eens voldoende geld”.

Teksten

Veel van die teksten zijn administratief van aard, maar er zijn ook wetten (zoals die van Ur-Nammu, ’s werelds oudst-bekende rechtscodificatie) en hymnen, spreekwoordencollecties, brieven en wat dies meer zij.

Zelf zou ik, als ik een handboek schreef, het verhaal van de Grote Vloed hebben genoemd, zelfs al is de eerste optekening wat jonger. Archeologen hebben namelijk in diverse Sumerische steden enorme kleiafzettingen gevonden uit de eerste helft van het derde millennium. Vaak is aangenomen dat herinneringen aan die overstromingen de basis vormen van het Zondvloedverhaal. Of dat waar is, zou ik niet weten, en werkelijk belangrijk is het ook niet, maar van de andere kant: omdat Mesopotamië voor weinig mensen vertrouwd is, is dit een van de punten waar je je verhaal in een al bestaande context kunt plaatsen.

Wetenschap

Nog een detail: De Blois en Van der Spek vermelden dat we in Mesopotamië het ontstaan van de wetenschap kunnen volgen, iets dat de Akkadiërs zouden hebben overgenomen van de Sumeriërs. Dit is eigenlijk best een lastige passage. Wat immers is “wetenschap”? Zo bijzonder is wetenschap nou ook weer niet.

Wie wetenschap definieert als het herkennen van patronen, ontkomt er niet aan die al in de Prehistorie te herkennen. Zie Een wereld vol patronen van Rens Bod. Sterker nog, kennis van de Wet van Snellius overstijgt de menselijke soort: denk maar aan de reiger die feilloos een vis uit het water weet te pakken, lichtbreking of niet. Met deze definitie ontstaat de wetenschap al ver voor de Sumeriërs. Als we wetenschap echter definiëren als kennis van de empirische cyclus, dan moeten we nog een millennium of twee wachten tot de Babyloniërs die hadden doorgrond.

Het is maar een kleinigheid, die ik vooral noem om te tonen dat de oudheidkundige het verleden vat in woorden van nu, woorden die associaties hebben met een wereld die vier millennia jonger is dan de beschreven wereld. Dat maakt de beschrijving onvermijdelijk inadequaat, maar de even onvermijdelijke frictie helpt ons ook vragen stellen over wat we zelf bedoelen met onze woorden. Wat is wetenschap eigenlijk? Wat doet een koning? Wat is een stad?

Deel dit blog:
Historische excuses

Wat of ik als historicus en als Amsterdammer nou vond van de historische excuses die burgemeester Halsema onlangs maakte voor Read more

Roofkunst

Ruurd Halbertsma is conservator in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik vermoed – en hieruit mag u afleiden dat Read more

Krokodillentranen

Er schijnt een spreekwoord te zijn – al heb ik het maar één keer gehoord en toen ook nog met Read more

Geschiedenis van de Nederlandse papyrologie

Vorig jaar publiceerde ik mijn boekje over papyrologie, Bedrieglijk echt. Ik schreef het niet op een achternamiddag, want ik was Read more


Categoriën: Assyrië, Babylonië, Sumerië