Een hond uit Lesbos

Mozaïek van een hond uit Hadrumetum (Museum van Sousse)
8 december 2020

Het project Inscriptiones Graecae, een uitgave van alle bekende Griekse inscripties, werd gestart in 1825 en loopt nog steeds. Er zijn nu 49 geografisch geordende delen klaar, maar het eind is nog niet in zicht. Logisch: er duiken nog altijd nieuwe inscripties op. De meeste delen van IG bestaan weer uit meerdere boeken, en de inscripties zijn allemaal genummerd. Een volledige verwijzing naar een inscriptie ziet er dus bijvoorbeeld zo uit: IG XII,2 458. In IG XII staan alle bekende inscripties van de eilanden in de Egeïsche Zee, behalve die van Delos. (Er zijn zoveel Delische inscripties dat daarvoor heel deel XI is gereserveerd.) En ‘onder-deel’ IG XII,2 beperkt zich dan weer tot de inscripties uit Lesbos en Tenedos (dat laatste eiland is het huidige Turkse Bozcaada).

Toevallig is IG XII,2 458 de inscriptie waarover ik het hier wil hebben. Hij is gevonden in Mytilene (het huidige Mitilíni), de hoofdstad van Lesbos. Maar wie hem inderdaad daar (of waar dan ook) aantreft, verdient een eervolle vermelding in de IG. Want IG XII,2 458 is al meer dan een half millennium spoorloos. Voor het laatst gezien omstreeks 1450 door Cyriacus van Ancona.

Cyriacus van Ancona (Cyriaco d’Ancona, 1391 – ca. 1452) was een antiquariër, een woord dat Van Dale niet kent. Maar het betekent dat d’Ancona belangstelling voor de materiële overblijfselen van de Oudheid. Die overblijfselen stelde hij en andere antiquariërs tegenover de overgeleverde klassieke teksten, die juist in de tijd (de Renaissance) door humanistische geleerden kritisch gelezen begonnen te worden. De studie van inscripties, munten en ruïnes bleek niet maar een aanvulling op die teksten, maar wierp er niet zelden een heel nieuw licht op. De Oudheid bleek niet beperkt tot literatuur – en literatuur bleek niet het laatste woord over de Oudheid.

Cyriacus was eigenlijk vooral nieuwsgierig. Afkomstig uit een handelsfamilie reisde hij eerst uit commerciële overwegingen, maar later gewoon uit belangstelling, over heel het oostelijke Middellandse Zeegebied. En altijd op zoek naar antiquiteiten. Uit zijn dagboek, 28 oktober 1444:

Nadat de prinsen en vooraanstaande mannen (uit de buurt van Troje, GMK) mij hartelijk hadden ontvangen, lieten zij mij op deskundige manier alle belangrijke plaatsen in de stad zien: eerst zagen wij buiten de stad, op van vijf stadia (ca. 1 km) van de stadsmuren, het opmerkelijke Trojaanse graf van Priamus’ zoon Polydorus, dat bestond uit een grote hoop aarde. Met Cristoforo reden we te paard naar de top van de heuvel (…) Toen we vervolgens de stad overal nauwkeuriger verkenden, zagen we talrijke sporen van haar grote ouderdom: enorme marmeren beelden van verschillende figuren, maar voor het grootste deel in puin. We onderzochten talrijke kapotte standbeelden met inscripties, waarvan het begin en einde ontbrak. Degenen die wat completer en belangrijker waren, schrijf ik hier op: (…)

Cyriaco heeft zo’n 1000 Grieks en Latijnse inscripties keurig overgeschreven. De meeste daarvan zijn nu verdwenen. Zo ook IG XII,2 458: wél bewaard, maar niet meer aanwezig.

IG XII,2 458 is een graf-epigram. Zo’n vierregelig gedichtje waarvan we heel wat hebben, vaak met de strekking ‘hier rust NN, geliefd maatje (in het Grieks: sumbios, ‘samenlever’) van NN. Haar man/vrouw heeft deze steen laten plaatsen, als herinnering aan een bijzonder mens. Moge de aarde licht op hem/haar drukken.’

XII,2 458 past naadloos in dat genre. Op één onderdeel na. De overledene is nu geen mens, maar een hond. Om precies te zijn: een teef. Haar baas heette Balbos; misschien suggereert de inscriptie dat hij zeeman was. Dateren is lastig zonder dat we de steen zelf hebben. Balbos is een Latijnse naam (Balbus); de inscriptie zal dus uit de Romeinse tijd dateren. Misschien uit de 1e of 2e eeuw na Christus.

Ik was met heel andere dingen bezig toen ik het grafschrift tegenkwam. Maar om de een of andere reden trof me. Hieronder dus IG XII,2 458, met dank aan Cyriaco d’Ancona. Eerst in het Grieks, dan in een eigen, onbeholpen vertaling:

τὴν κύνα Λεσβιακῆι βώλωι ὑπεθήκατο Βάλβος
εὐξάμενος κούφην τῆι κατὰ γῆς σκύ[λ]α[κι],
δουλίδα καὶ σύμπλουν πολλῆς ἁλός. [εὐ]κ[τ]ὰ παράσχοις
ἀνθρώποις, ἀλόγοις ταῦτα χαριζομέν[η].

 

Hier, in de aarde van Lesbos, begroef Balbus z’n hond.
Zijn gebed: dat de aarde niet al te zwaar zou wegen op haar daaronder,
zijn hond, zijn hulp, zijn vaargezel op zovele zeeën –
‘Aarde, wat jij aan mensen geeft, gun dat ook aan dieren.’

Deel dit blog:
Lucifers zoon Gaius Julius Phosphorus

Als u dacht dat The Man Who Fell to Earth een origineel verhaal heeft, dan heeft u het mis. Het Read more

Foto van de dag: Ploutarchos

Inscriptie met de naam van Ploutarchos, Delfi [Meer foto’s hier.]

Foto van de dag: Apuleius

Ere-inschrift voor Apuleius, Madauros [Meer foto’s hier.]

Het grafschrift van Darius de Grote

In Naqsh-e Rustam, niet al te ver van Persepolis, zijn vier koningsgraven uit de Achaimenidische tijd. Het derde is voorzien Read more