Lectio difficilior

Een middeleeuwse kopiist aan het werk
15 november 2020

De Lachmannmethode is de methode waarmee filologen vaststellen hoe antieke teksten, die we vooral kennen uit middeleeuwse handschriften, er precies uit moeten hebben gezien. De truc is kopiistenfouten te gebruiken om een stamboom van handschriften te maken. Daarbij zijn echter nogal wat voetangels en klemmen. Soms moet de tekstwetenschapper kiezen tussen diverse mogelijkheden.

Eén mogelijke aanpak is bedacht door de Rotterdamse geleerde Desiderius Erasmus (1466-1536) en staat bekend als lectio difficilior of als lectio difficilior potior, “de moeilijkere lezing is sterker”. Erasmus had ontdekt dat kopiisten eerder de neiging hadden een tekst te vereenvoudigen dan ingewikkelder te maken, en opperde dat als dezelfde passage in twee handschriften verschillend werd weergegeven, de moeilijkere variant vermoedelijk dichter bij de originele kwam.

Een voorbeeld is de joodse tekst die bekendstaat als De negen-en-een-halve stam, die wordt vermeld in diverse vroegchristelijke teksten als een geschiedenis van de verloren stammen van Israël. Andere teksten verwijzen echter naar De tien stammen, en dat is een vorm die eenvoudiger is. Op grond van de genoemde vuistregel nemen oudheidkundigen aan dat de auteur van het joodse traktaat het de titel De negen-en-een-halve stam heeft meegegeven.

Uiteraard moet deze vuistregel, die alleen betrekking heeft op zinnen en andere korte woordgroepen, met zorg worden toegepast. De twee varianten moeten ruwweg gelijkwaardig zijn: even logisch, in hetzelfde stijlregister, beide grammaticaal correct. Als deze voorwaarde niet wordt gesteld, zou lectio difficilior potior immers een vrijbrief zijn om allerlei verwrongen formuleringen te typeren als de betere, louter en alleen omdat ze ingewikkelder zijn.

Voor ik afrond nog even een verwant principe, dat van toepassing is op alinea- en paragraafniveau: de lectio brevior, “de kortere lezing verdient de voorkeur”. Het staat vast dat antieke en middeleeuwse kopiisten vaker de neiging hadden verhalen uit te breiden dan te bekorten. Hieruit volgt dat als je van dezelfde tekst een lange en een korte variant hebt, deze laatste de minst-bewerkte is en dus de authentiekste wel zal zijn. Zo vallen de handschriften van het Marcus-evangelie te verdelen in drie groepen, met een kort, een middellang en een lang einde, en op grond van lectio brevior gold de kortste variant lange tijd als het meest plausibele. De andere twee bevatten toevoegingen uit het evangelie van Matteüs. Dat het inderdaad aannemelijk is dat het korte einde het betere is, werd in 1892 bewezen toen Agnes Lewis en Margaret Gibson de Codex Sinaiticus Syriacus vonden.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Skaras of Arar? (1)

De Romeinse historicus Livius en zijn Griekse voorganger Polybios stemmen soms woordelijk overeen. Ik heb het voor Hannibals tocht over Read more

Interpolationenforschung

Een van de fundamenteelste vormen van oudheidkundig onderzoek is de tekstconstitutie: het zo goed mogelijk benaderen van de oorspronkelijke tekst Read more

De vier families van de Koran

Ik heb al vaker geblogd over de Lachmannmethode: de methode waarmee de vervaardigers van een tekstuitgave door middel van schrijffouten of Read more

Conjecturen en kritische apparaten

De Lachmannmethode is de methode waarmee filologen vaststellen hoe antieke teksten, die we vooral kennen uit middeleeuwse handschriften, er precies Read more