Koude-Oorlog-archeologie

Mesopotamisch aardewerk uit het derde millennium v.Chr. (Ashmolean Museum, Oxford)
12 november 2020

In 1948 vertrok een Amerikaanse expeditie naar Iraaks Koerdistan, voor wat bekend is komen staan als het “Iraq-Jarmo-project”. Archeoloog Robert Braidwood gaf tot en met 1955 leiding aan een voor die tijd uitzonderlijk groot en gevarieerd team. Het onderzoek had een duidelijke vraagstelling. De beroemde archeoloog Gordon Childe, die om een of andere reden nooit de Nobelprijs voor de Letteren heeft gekregen, had geopperd dat de uitvinding van de landbouw een vrij snelle, revolutionaire gebeurtenis was geweest, die tussen 4500 en 4000 v.Chr. had plaatsgevonden. Braidwood wilde toetsen of er wel zo’n “neolithische revolutie” was geweest. De Amerikaanse overheid steunde de onderneming met grotere subsidies dan ze ooit eerder had toegekend aan een archeologisch project.

Het team was met zorg samengesteld. Alle leden waren gescreend op on-Amerikaanse activiteiten en Braidwood was aangezocht omdat hij openlijk had getwijfeld aan de ideeën van Childe. Archeologie was een van de ideologische strijdtonelen van de Koude Oorlog, want de subsidiënten wilden natuurlijk vooral bewijzen in handen krijgen dat de wereldgeschiedenis niet, zoals de marxisten dachten, vooruitging door revoluties, maar werd getypeerd door een geleidelijke ontwikkeling.

Ondertussen was Braidwood teveel een geleerde om Childes verdiensten te ontkennen. De Amerikaan mocht dan niet geloven in een schoksgewijze vooruitgang, hij bewonderde Childes opgravingstechnieken en brede analyses. Eén daarvan was dat hij had gekeken hoeveel mensen er in een nederzetting konden wonen, en dit had vergeleken met het aantal mensen dat kon worden gevoed door het omliggende land. (De insider herkent dat ik het nu heb over Skara Brae.) Hij had zo kunnen vaststellen dat oude samenlevingen de grenzen van het haalbare lang niet altijd hadden opgezocht en vormen van geboortebeperking moesten hebben gekend.

Hierdoor geïnspireerd probeerde Braidwood uit te vinden hoe de bewoners van zijn onderzoeksgebied waren omgegaan met hun omgeving, en stelde daarbij ook andere vragen dan die naar het gebruik van de natuurlijke rijkdom. Was er een hiërarchie aan te wijzen in de nederzettingen? Bestond er een functionele verdeling in de samenleving? Het opvallende van dit project is dat hij een gehele regio onderzocht, dus niet slechts één opgraving. Zo hoopte hij patronen te ontdekken, waarna het mogelijk moest zijn om, door een beperkt aantal vindplaatsen op te graven, toch een representatief beeld te krijgen van een gehele samenleving.

Het voornaamste resultaat van het project was de constatering hoe naïef opgravers tot dan toe waren begonnen aan hun onderzoek. Men wist al dat grote ruïnes de aandacht meer trekken dan kleine en er waren al archeologen bezig om een reconstructietheorie te ontwerpen om deze bias te corrigeren. Het Iraq-Jarmo-project maakte dit urgent, want voor het eerst werd duidelijk hoe groot de aantallen boerderijen waren en hoe weinig representatief de ceremoniële centra en paleizen waarop men zich tot dan toe had geconcentreerd. Voor de meeste archeologen kwam de confrontatie met de eigen vooringenomenheid als een schok.

Ondanks deze ontegenzeggelijke wetenschappelijke winst, waren de resultaten niet wat de financiers hadden gehoopt. Braidwood concludeerde namelijk dat er geen mogelijkheid was om Childes opvattingen te weerleggen. Toen de eerste koolstofdateringen duidelijk maakten dat het ontstaan van de landbouw wel degelijk een langdurig proces was geweest, weigerde Braidwood de resultaten te vertrouwen. Hij vond het ook wat vreemd te moeten constateren dat de akkerbouw was ontstaan vóór de veeteelt, want al sinds de achttiende eeuw had men het omgekeerde aangenomen.

Pas toen de kwaliteit van de nieuwe dateringen onomstotelijk vaststond, trok Braidwood de conclusie die hij het liefste zou trekken en kon de Amerikaanse regering tevreden zijn: de aanzet tot de akkerbouw moest zo’n drie à vier millennia eerder worden gedateerd dan Childe had aangenomen, en het hele proces was pas doorlopen tegen 4000 v.Chr. Daarmee was het idee dat de uitvinding van de landbouw een revolutionaire, betrekkelijk snelle ontwikkeling was geweest, afdoende weerlegd.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
De Warka-vaas

Ik blogde al over de grote stad Uruk, tegenwoordig Warka, waar de overgang van Neolithicum naar geschiedenis is gedocumenteerd in Read more

Uruk, een oeroude stad

Uruk, dat in de Bijbel Erech en tegenwoordig Warka heet, was al in het vierde millennium een belangrijke stad in Read more

De ontdekking van het oudste Irak

De eerste opgravers in Irak waren mensen als Botta, die Nineveh ontdekte; Layard, die de Assyrische hoofdsteden opgroef; Koldewey, die Read more

Verkeerd geleerde historische lessen

Vorige week overleed Donald Kagan. De in Litouwen geboren Amerikaanse classicus is de auteur van een van de aardigste inleidingen Read more