Joods, Israëlitisch en Hebreeuws

16 januari 2021

Wat is nu het verschil tussen Joods, Israëlitisch en Hebreeuws? Wat is de ‘tale Kanaäns’? In de moderne literatuur bestaat er veel verwarring over allerlei termen die te maken hebben met Israël en het jodendom; het is lastig consequent taalgebruik te hanteren.

In de Bijbel is Kanaän de naam van het gebied tussen Egypte en Klein-Azië en de Kanaänieten zijn de oorspronkelijke bewoners tegen wie de Israëlieten gestreden hebben. Het woord komt ook in de Amarnabrieven (ca. 1360 v. Chr.) voor (Kinahhu/Kinachchoe). De Feniciërs zijn de Kanaänieten die woonden tussen Akko de grens met het huidige Turkije. Zij spraken een Westsemitische taal, verwant aan het Hebreeuws en het Aramees. De ‘tale Kanaäns’ is een gekscherende aanduiding van het ‘Bijbels taalgebruik’ zoals dat tot ons komt uit de Statenvertaling van de Bijbel (1637).

Israël is de naam van een volk dat volgens de Bijbelse traditie afstamde van Jakob (of Israël), de kleinzoon van Abraham. Israël is ook de naam van het koninkrijk van Saul, David en Salomo (ca. 1000 v. Chr.). Dit koninkrijk bestond volgens de Bijbelse traditie uit twaalf stammen, genoemd naar (klein)zonen van Jakob.

Eén van die stammen was Juda. Na de dood van Salomo werd het koninkrijk verdeeld in twee koninkrijkjes: Israël in het noorden, dat later Samaria als hoofdstad kreeg, en Juda in het zuiden met Jeruzalem als hoofdstad. Deze koninkrijkjes werden in de achtste eeuw v. Chr.  vazalvorstendommen en later provincies van respectievelijk Assyrië en Babylonië. Veel Israëlieten en Judeeërs werden gedeporteerd naar Assyrië (o.a. 722) resp. Babylonië (597 en 586: de ‘Babylonische Ballingschap’).

In het Achaemenidische ofwel Oud-Perzische rijk (539 – 332 v. Chr.) waren Juda (‘Jehoed’) en Samaria kleine provincies binnen de grote satrapie “Over de Rivier” (“Transpotamië”, “Trans-Eufraat”), d.i. het gebied ten westen van de Eufraat, ruwweg Syrië. Veel Judeeërs keerden uit de Babylonische ballingschap terug en vestigden zich in Jehoed (Juda), hoewel er ook flink wat in Babylonië bleven. De Israëlieten die naar Assyrië waren gedeporteerd, keerden niet terug naar Samaria, maar er waren nog nazaten van Israëlieten die niet weggevoerd waren.

De Achaemenidische periode was een erg belangrijke periode voor de totstandkoming van de Hebreeuwse Bijbel, vooral  toen de Judeeërs Nehemia als gouverneur en Ezra als Schriftgeleerde door koning Artaxerxes I (of in het geval van Ezra vermoedelijk Artaxerxes II) naar Juda werden gezonden om de provincie te organiseren en een lokaal systeem van wetten te introduceren: de ‘wetten van Mozes’ ofwel de Thora. Geleidelijk aan beschouwden deze teruggekeerde Judeeërs zich als de ware vertegenwoordigers van het volk Israël en zo begon het woord Judees (~Joods) het woord Israëliet te vervangen.

De Samariërs ontwikkelden een eigen versie van de Thora en kozen als hun heilige plaats de berg Gerizim in plaats van Jeruzalem. In de hellenistische tijd (periode na de verovering door Alexander de Grote) bouwden zij daar een tempel. Als religieuze groep noemen we hen gewoonlijk ‘Samaritanen’. Een kleine gemeenschap van Samaritanen bestaat vandaag nog steeds in de stad Nabloes (in de Oudheid Sichem).

In de hellenistische periode werden de provincies Juda (Judea) en Samaria onderdelen van de rijken van Alexander de Grote, de Ptolemeeën en (vanaf 200 v. Chr.) van de Seleuciden. Vanaf 106-64 was Juda (Judea) een onafhankelijk koninkrijk onder de Hasmonese (Makkabese) dynastie. Na de Romeinse verovering in 64 v. Chr. was het òf een kleine provincie onder supervisie van de gouverneur van Syrië, òf een vazal-koninkrijkje, zoals onder Herodes de Grote (37 – 4 v. Chr.).

In het Grieks heet de landstreek Ioudaia en de inwoners Ioudaioi, in het Latijn Judaea en de inwoners Judaei, waarvan de woorden ‘Judea’ en ‘Judeeër’ van zijn afgeleid. De Grieken en Romeinen gebruikten de termen Ioudaioi en Iudaei voor Judeeërs in Juda, maar ook voor Judeeërs die leefden in Babylonië, Egypte, Syrië en waar ook maar in het Romeinse rijk. Een complicerende factor is dat het woord ‘Judeeër’ ook een religieuze betekenis kreeg. Hoewel het niet makkelijk was geaccepteerd te worden, was het mogelijk ‘Judeeër’ te worden door het Judese geloof aan te nemen. De term ‘Jood’ die van Iudaeus is afgeleid, heeft dezelfde ambiguïteit.

In de Nederlandse spelling maken we wel onderscheid tussen ‘Jood’ als lid van een etnische groep en ‘jood’ als aanhanger van de ‘joodse’ godsdienst. Omdat in oude talen er geen onderscheid bestaat tussen ‘Judeeër’ en ‘Jood’ is een goede en consequente vertaling vaak erg lastig. Het is zeker fout het woord ‘Jood’ te gebruiken vóór de Babylonische ballingschap, sommige geleerden gebruiken het alleen voor Judeeërs in de diaspora of als het betrekking heeft op de joodse religie. Weer anderen vermijden het voor de Oudheid geheel.

Ik heb de voorkeur voor ‘Judeeër’ als er een duidelijk relatie is met Juda en gebruik het woord ‘Jood’ vooral als sprake is van een etnisch-religieuze gemeenschap in de diaspora. Nogmaals: in oude talen bestaat dit onderscheid niet.

Het woord ‘Hebreeër’ (Hebr. ha-‘Ibri) is waarschijnlijk afgeleid van het woord habiru (chabiroe) dat voorkomt in de Amarnabrieven (ca. 1360 v. Chr.) en andere teksten (ook wel als ‘pr) voor ongeregelde rondtrekkende groepen die een gevaar waren voor de stedelijke samenleving. In de Bijbel wordt dit woord gebruikt als alternatief voor ‘Israëliet’; ze waren immers van oorsprong migranten die de Kanaänitische steden bedreigden. De Romeinen gebruikten dit woord ook voor de Judeeërs/Joden.

Het woord ‘Hebreeuws’ wordt algemeen gebruikt voor de taal der Israëlieten en Judeeërs. Hun heilige schrift (met o.a. de Thora) wordt de Hebreeuwse Bijbel genoemd (Oude Testament door de christenen naast het ‘Nieuwe Testament’, dat geschiedenissen en brieven bevat over het leven van Jezus en zijn navolgers, afgesloten door de Openbaring van Johannes).

Het woord Palestina vindt zijn oorsprong in één van de zgn. Zeevolken die zich rond 1200 v. Chr. vestigden aan de kust van de Middellandse Zee tussen Egypte en Fenicië. In Egyptische teksten worden dezen Peleset genoemd, in de Hebreeuwse Bijbel ‘Filistijnen’, die woonden in steden als Gaza, Askelon en Asdod. Herodotus beschouwt Palaistina als een deel van Syrië, waar hij waarschijnlijk Judea bij rekende, een woord dat hij niet noemt. Na de Tweede Joodse Opstand tegen de Romeinen (132-135 n. Chr.) werd Palaestina de naam van een provincie tussen de rivier de Jordaan en de kust. Gebieden ten oosten van de Jordaan werden er later ook bij betrokken. De naam van de provincie werd gehandhaafd in latere rijken, waaronder het Ottomaanse Rijk tot 1918. Het mandaatgebied Palestina (1920-1948) bevatte alleen het gebied ten westen van de Jordaan.

N.B.: deze notitie is ongeveer zo te vinden in: L. de Blois, R.J. van der Spek, Een kennismaking met de Oude Wereld (zevende, herziene druk; 2017), 179-181.

Deel dit blog:
De Zeevolken: meer problemen

In de vorige vier stukken (één, twee, drie, vier) over de Zeevolken heb ik uitgelegd dat het bewijsmateriaal een consistent Read more

De Zeevolken: de problemen

In de stukken die ik tot nu toe wijdde aan de Zeevolken vatte ik samen hoe De Blois en Van Read more

Ugarit

Het is tijd om het over Ugarit te gaan hebben, maar eerst wat context. Als De Blois en Van der Read more

Foto van de dag: Caesarea Maritima

De hippodroom van Caesarea Maritima. [Meer foto’s hier.]


Categoriën: Jodendom