Het oudhistorisch handboek

27 januari 2021

De auteur van een handboek heeft het in één opzicht makkelijk. Hij schrijft voor een publiek van eerstejaarsstudenten die ervoor hebben gekozen een bepaalde studie te doen. Je zou deze doelgroep, omdat ze het belang van het vak niet ter discussie stelt, wetenschapspositief kunnen noemen. Deze welwillende houding heeft als gevolg dat de auteur geen bladzijden hoeft te besteden aan uitleg van waartoe dat vak dient. Hij kan het boek gewoon tjokvol stoppen met conclusies. Dat het handboek dient voor een bepaald vak, geeft bovendien een duidelijke begrenzing. Zo, met een afgebakend vakterrein en een positieve doelgroep, kan een handboek zijn doel dienen: het is de basis voor werkcolleges, waarin studenten leren dat wat een handboekauteur schrijft, wordt tegengesproken door andere geleerden.

Geen consensus

Dat is niet omdat een handboekauteur niet alles weten kan, al speelt ook dat een rol. Veel belangrijker is dat er over veel zaken geen consensus is. Ik lees bijvoorbeeld zojuist dat Filippos II van Macedonië wegens een privéruzie werd vermoord. Misschien is dat zo, maar de voornaamste bron over de moord zegt expliciet dat de moordenaar wegrende naar enkele klaar gezette paarden, meervoud, wat de mogelijkheid opent dat er sprake was van een handlanger, een complot en een politiek motief. Er is dus discussie mogelijk en de auteur van een handboek presenteert alleen zijn eigen keuzes.

Dat is al moeilijk genoeg. Als de handboekauteur het makkelijk heeft door een heldere doelgroep, afbakening en doel, wil dat nog niet zeggen dat het ook in andere opzichten eenvoudig is.

Dat een handboek aanleiding is voor verschil van mening, is dus de bedoeling. “De hemel beware ons voor een volmaakt handboek,” zei mijn leermeester De Neeve vaak, waarmee hij wilde zeggen dat als alles klopte, de studenten alleen maar feiten hoefden leren en geen inzicht verwierven in de discussie zonder eind die geschiedenis is.

Met een wetenschapspositieve doelgroep, een afgebakend vakgebied en een duidelijk doel is handboekauteur de tegenpool van iemand die schrijft voor een groot publiek. Zoals ik. Om te beginnen moet ik rekening houden met groeiende wetenschapsscepsis; niet iedereen is wetenschapspositief. Het publiek verwacht van mij informatie over de Oudheid als geheel en zou er geen genoegen mee nemen als ik me beperkte tot een van de bloedgroepen die in het academisch onderwijs misschien nuttig zijn. En ik ben er niet om u voor te bereiden op de discussies tussen de onderzoekers X en Y. Ik ben al blij als ik u kan tonen dat de bestudering van de Oudheid een wetenschap is.

Vergeten eerstejaarsstof

Mijn probleem is nu dat mijn kennis van oude geschiedenis is weggezakt. Ik heb me na mijn afstuderen wat verder toegelegd op archeologie; ik begrijp iets van de manier waarop de DNA-revolutie de bestudering van klassieke teksten verandert; en ik weet iets van de visies op wetenschapscommunicatie waarover ik maandag blogde: awareness, understanding, engagement. Kortom, ik ben weliswaar niet blijven stilstaan, maar sommige dingen zijn wel erg ver weggezakt.

Natuurlijk lees ik weleens wat en ga ik weleens naar een museum of een buitenland, maar over de stukjes die ik onlangs over Maecenas en hoplieten schreef, moest ik echt nadenken. Eerstejaarsstof als de afname van de bevoegdheden van de Areopagus in Athene of de rechten van de diverse soorten bondgenoten van de Romeinse Republiek, heb ik niet paraat. Dat is niet erg voor iemand die geen onderzoek doet of academisch onderwijs verzorgt, maar ik voel me onzeker.

Terug naar het eerste jaar

Net zoals Van Gogh, die tijdens een artistieke impasse terugkeerde naar zijn voorbeeld Millet, heb ik het handboek weer opgepakt. Naast me ligt dus de nieuwste druk van het boek waarvan De Neeve wilde dat we “het van voor naar achter en achter naar voren uit het hoofd kenden”, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. Ik wil het vanaf volgende week als uitgangspunt nemen voor een vrij lange reeks blogjes.

Ik begin dan op blz.11 en werk via Sumerië, Egypte, de grote rijken van Mesopotamië, Griekenland en Rome naar het einde van de Oudheid op blz. 358. En ik schrijf over wat me opvalt. Niet om het af te branden, maar omdat ik een ander perspectief heb. Ik schrijf immers over de Oudheid in plaats van over oude geschiedenis; ik schrijf niet voor studenten maar voor het grote publiek; en ik schrijf om dat publiek te brengen in een staat van understanding wat oudheidkunde maakt tot wetenschap en awareness van de momenten waarop die wetenschappelijkheid ertoe doet.

Ik verwacht dat de aard van mijn blogjes zal veranderen – al weet ik nu nog niet hoe. We zullen wel zien.

[Het bericht Het oudhistorisch handboek verscheen oorspronkelijk op Mainzer Beobachter.]

Deel dit blog:
Koning van de vier windstreken

Ik blog de laatste tijd over het handboek waarmee ik in mijn eerste jaar aan de universiteit oude geschiedenis leerde, Een Read more

Klimaatcrisis, 2200 v.Chr.

In een eerder stukje in mijn reeks over het handboek oude geschiedenis dat ik, in een recente herdruk, aan het Read more

Dertig Egyptische dynastieën en drie Egyptische rijken

Zoals ik al eens vertelde, ben ik begonnen met het herlezen van het handboek waarmee ik in mijn eerste jaar Read more

Het begin van de Oudheid

Objectieve kennis kan niet bestaan, maar als mensen met diverse achtergronden aan de hand van dezelfde data en dezelfde methoden Read more


Categoriën: Algemeen
Tags: