Het belang van Buijtendorp (1)

De Waal als vlechtende rivier
22 februari 2021

Wie zich bezighoudt met Nederland in de Romeinse tijd, kampt met een gierend gebrek aan data. Zeker, de archeologische depots liggen behoorlijk vol, maar om van vondsten te komen tot een reconstructie van een oude samenleving is interpretatie nodig. Die vindt plaats aan de hand van andere vondsten, vergelijking met andere voorindustriële culturen en enkele honderden Latijnse en Griekse teksten, waarvan de meeste vrij kort. Die vergen eveneens uitleg. Je krijgt weleens de indruk dat oudheidkundigen geschreven bronnen naar believen letterlijk nemen, afdoen als literair motief, interpreteren als atypisch of presenteren als onverwachte bevestiging van wat ze al vermoedden. Die indruk is onterecht, want tekstuitleg is gebonden aan hermeneutische regels. Er is echter wel speelruimte, dus de indruk is begrijpelijk.

Samenvattend: de data zijn onvoldoende en ambigu. Dat maakt het lastig ze om te zetten in informatie – data die zijn beoordeeld en gecombineerd. Zeg maar puzzelstukjes die aan elkaar zijn gelegd.

Wat we niet weten

Los daarvan documenteren onze data grote delen van de antieke werkelijkheid niet. Noord-Holland en Friesland waren in de Romeinse tijd verbonden door een brede strook land, waar op een vroeg Waddeneiland best een fort kan hebben gelegen aan het einde van de waterloop die het achterliggende Flevomeer verbond met de Waddenzee. We zullen zo’n hypothetisch fort nooit opgraven want die waterloop verbreedde zich, werd het Vlie, werd de Zuiderzee. Het water heeft alle resten weggespoeld. Wat er aan data is geweest is verloren.

Een ander voorbeeld is de rechtspositie van de vrouw. Onze geschreven bronnen maken deel uit van een zesde-eeuwse, christelijke bewerking van een vierde-eeuws overzicht uit Beiroet van het recht dat in de tweede en derde eeuw n.Chr. van toepassing was geweest in Italië. Waarbij het voor een aanzienlijk deel ging om onderwerpen waar de bestuurlijke elite belang in stelde – dus de zaken van rijke mensen. Het Romeinsrechtelijke materiaal, hoe rijk ook, zegt heel weinig over het leven van vrouwen in Romeins Nederland.

Het kentheoretische probleem

Als we het Romeinse verleden voorstellen als een legpuzzel, zijn er delen die aan elkaar passen, waar de data informatie worden, en enorme delen waar de data ontbreken of de stukken niet aan elkaar passen. Er is een kenbaar deel en een heel groot onkenbaar deel. Het kentheoretische probleem – niet alleen voor Romeins Nederland natuurlijk – is nu dat we, als we de puzzelstukjes verder aan elkaar willen passen, moeten weten wat ongeveer bij elkaar hoort terwijl dat niet kan. Om een beeld van de oplossing te hebben moeten we het geheel kennen en dat is nu net grotendeels onkenbaar.

Dit kentheoretische probleem wordt verergerd doordat de opleidingen kort zijn en doordat archeologen een neiging hebben te kijken naar wat concreet aanwezig is. Het zijn positivisten, die het liefst werken met data die ze reëel hebben. Waar het gaat om concrete zaken als het opstellen van een typologie of seriatie, is dat prima; het wordt lastiger als het gaat om abstractere zaken. Denken over zaken waarvoor de aanwijzingen verloren zijn is sowieso niet eenvoudig.

Meer data en woeste hypotheses

Dit is dus de situatie en er zijn twee uitwegen. De eerste ligt voor de hand: meer data verwerven. Soms zijn die tekstueel, maar voor de Lage Landen is het meeste wel zo’n beetje ontsloten en ik ben niet optimistisch dat Plinius’ verloren Geschiedenis van de Germaanse Oorlogen nog eens ergens zal worden gevonden. Misschien is de meeste winst te behalen met een uitgave van de Aramese graffiti die in Keulen schijnen te zijn gevonden. Daarnaast is het een kwestie van doorgaan met opgraven en zorgen dat nieuw materiaal goed wordt ontsloten. En tot slot kunnen we meer dan nu kijken of er in de archieven informatie ligt: negentiende-eeuwse opgravingsverslagen, kronieken of oude landkaarten, waarop vaak nog dingen staan afgebeeld die sindsdien verloren zijn gegaan. (De reconstructie van het Romeinse wegennetwerk in België is voor een groot deel gebaseerd op de vermeldingen van deze of gene Chaussée Brunehaut op kaarten die maarschalk Joseph de Ferraris tussen 1771 en 1778 heeft laten maken.)

De tweede manier om verder te komen is het opstellen van wat ik maar even “woeste hypothesen” zal noemen. Je zou kunnen denken dat het Negende Legioen Gemina, dat begin tweede eeuw in Nijmegen gestationeerd is geweest en waarna daarna alle sporen ontbreken, de Friezen heeft onderworpen en een basis heeft aangelegd aan het Vlie, die nadien is weggespoeld. Als je dit gegeven aanneemt, hoe vallen de puzzelstukjes die je wél hebt dan in elkaar? Wat zegt dit over bijvoorbeeld de marskampen bij Ermelo?

[Wordt vervolgd]

Deel dit blog:
Oog op de Oudheid 2021

Oog op de Oudheid is een jaarlijkse serie presentaties en -discussies over de bestudering van de oudheid, georganiseerd door het Read more

Het Gilgameš-tablet in de Green-collectie

Twee weken zonder stukje over de Green-collectie is twee weken niet geleefd, dus vandaag een aflevering in onze reeks over Read more

Het ideale handboek (volgens mij dan)

Ik wilde, zo kondigde ik vorige week aan, gaan bloggen over het handboek waarover ik ooit eerstejaarscolleges heb gehad. Een Read more

Het begin van de Oudheid

Objectieve kennis kan niet bestaan, maar als mensen met diverse achtergronden aan de hand van dezelfde data en dezelfde methoden Read more