Hermeskeil

De opgraving van Hermeskeil in de regen.
13 november 2020

Op een regenachtige dag in 2017 bezocht ik Hermeskeil, waar een opgraving plaatsvond die de archeologie als wetenschap verder zou kunnen brengen. Ik heb de problematiek al vaker behandeld: het staat vast dat Julius Caesar iets heeft veroverd dat hij Gallië noemde, maar we weten niet wat hij precies onderwierp. Al in de negentiende eeuw hebben archeologen – ze werden gefinancierd door Napoleon III – versterkingen uit het midden van de eerste eeuw v.Chr. gevonden, maar alles wat ze vonden lag ten zuiden van de Seine.

En dat terwijl Romeinse forten, zelfs als het gaat om die voor kleine eenheden, niet echt moeilijk terug te vinden zijn. De opgraver van het kleine fort bij Maldegem, Hugo Thoen, was verbaasd dat in Gallia Belgica in een kleine anderhalve eeuw niet één van Caesars enorme legioenbases was geïdentificeerd. Daarmee bepaalde Thoen de parameters van de discussie: was Caesars rapport van zijn noordelijkste veroveringen geen bluf?

U leest er hier meer over. Het is een logische vraag. Caesar alludeert aan het werk van een beruchte fantast, Xenofon van Lampsakos, en vermeldt ergens in De Gallische Oorlog een eenhoorn. Hij was aan de randen van de aarde en leverde de overeenkomstige inkleuring, zoals wel meer antieke auteurs deden. Dat is geen fraude: de grens tussen feit en fictie lag destijds niet waar wij die trekken. Sinds Thoen woedt een discussie hoe letterlijk Caesars woorden bedoeld kunnen zijn geweest.

Bewijzen dat Caesar nooit in Belgica is geweest, is welbeschouwd niet mogelijk, maar als je bijna anderhalve eeuw niets vindt in een grondig en met goede technieken doorzocht gebied, gaat de balans wel doorslaan in de richting van “hij is hier niet geweest”. Aantonen dat Caesar wél in noordelijk Gallië is geweest, is even welbeschouwd ook niet goed mogelijk. Een echt sluitend bewijs zou immers bestaan uit dateerbare militaria die te herleiden zijn tot Caesars legeronderdelen. Je wil een dendrochronologisch gedateerd fort en daarin liefst ook een helm waarop iemand iets als LEG VIII heeft gekrast, “Achtste Legioen”.

De kans dat je zoiets vindt is verwaarloosbaar en dat is natuurlijk normaal. Datagebrek is nu eenmaal hét centrale thema van de oudheidkundige disciplines, zelfs al puilen de archeologische depots uit en beschikken we over duizenden teksten. Datagebrek is enerzijds wat het vak onderscheidt van alle andere vakgebieden en anderzijds wat de theorievorming van de archeologie, oude geschiedenis en klassieke talen verbindt. En zo zitten we dus mooi met een probleem: te weinig data, en een geschreven bron die beweert dat Caesar wel in het noorden is geweest, terwijl de vondsten daar niet op duiden.

Nu zijn er twee mogelijkheden. Óf je zegt dat de bron gelijk heeft tenzij je vondsten het tegenspreken, óf je zegt dat de bron niet geloofwaardig is tenzij de vondsten dat bevestigen. Deze twee posities staan bekend als maximalisme en minimalisme. Het moge duidelijk zijn dat als je een kleine anderhalve eeuw lang niets vindt, dit een serieus probleem is. Je zou allang hebben besloten dat Caesar liegt als je niet ten zuiden van de Seine wél bevestiging hebt gevonden voor zijn woorden.

De discussie is vooral cruciaal omdat je hier de waarde van de archeologie, de geschiedenis en de klassieke talen binnen het geheel van de oudheidkundige disciplines in kaart brengt. Je overstijgt die drie bloedgroepen, brengt je wetenschappelijk kennen op een hoger peil. Vergelijk het met de natuurkundigen, die in dezelfde situatie zitten met een tegenspraak tussen zwaartekracht en quantumfysica: ze zoeken naar wegen om die tegenspraak op te lossen. Het maximalisme-minimalisme-debat is daarvan het oudheidkundige equivalent. In een land als Israël, waar deze discussie samenvalt met die over de betrouwbaarheid van de Bijbel en de Joodse claim op het land, wordt dit debat met grote inzet en scherpzinnigheid gevoerd. Er wordt vaak lacherig gedaan om de bijbelse archeologie, maar ook deze discussie is deel van de Israëlische oudheidkunde.

In Gallia Belgica is de laatste jaren echter alles veranderd. Eerst was er Thuin, vervolgens was er Hermeskeil, daarna was er Kessel. Er zijn ook vondsten uit Duitsland en Engeland. Het is nog niet duidelijk wat het allemaal betekent, maar alles is weer in beweging gekomen en we mogen hopen dat we onze kennis op een hoger niveau gaan brengen.

De cruciale vraag is echter of de archeologen, historici en classici de discussie wel aan willen. Mij verbijstert dat archeologen steeds aannemen dat Caesars De Gallische Oorlog is bedoeld als feitenrelaas, terwijl dat volgens classici nou net dient te worden bewezen. Onlangs recenseerde ik een boek over de relatie tussen archeologie en geschiedenis en ik was geschokt dat daarin nog steeds auteurs uit de jaren tachtig werden geciteerd. De evaluatie van de eigen aannames lijkt te stagneren. Wie daarvan niet schrikt, heeft het niet begrepen.

Dit was dus waarom we naar Hermeskeil gingen. Het regende echter, er was daar niemand, de opgraving lag er verlaten bij. Mooiweerarcheologen. We besloten verder te rijden naar Straatsburg.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Maximalisme en minimalisme

Het is maandag, de dag waarop ik meestal schrijf over een aspect van de oudheidkundige methode. In mijn reeks filmpjes Read more

Teksten en vondsten (2)

[Dit is het tweede deel van een stukje over de wijze waarop archeologische vondsten kunnen worden gebruikt om teksten te Read more

Teksten en vondsten (1)

Wat is een oudheidkundig bewijs? Eerste voorbeeld: het bestaan van koning Salomo. Die kennen we vooral uit het Deuteronomistische Geschiedwerk en uit Read more

Caesar in Marseille

Als ik u zeg dat het de negentiende april was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Read more