Hermeneuse

Schleiermacher (links)
13 november 2020

In de vierde of derde eeuw v.Chr. schreef een anoniem gebleven joodse auteur de tekst die bekendstaat als het Boek der wachters, waarin hij enkele verhalen uit Genesis navertelt, bewerkt en uitbreidt. Eén van die verhalen is dat over de “zonen der goden” (Genesis 6.1-4), die verliefd werden op de dochters van de mensen. De auteur van het Boek der wachters verandert deze vervaarlijk naar polytheïsme riekende “zonen der goden” in engelen en vertelt hoe zij de mensen allerlei slechtigheid leerden, zoals wapens, alchimie, sieraden en cosmetica, overspel, astrologie en misleiding.

De mensheid lijdt hieronder maar wordt op bovennatuurlijke wijze bevrijd. De leider van de opstand, Azazel, wordt bestraft doordat hij zeventig generaties gevangen zit in een met rotsen afgesloten kuil in een woestijn. Met deze mythe, die ik in samenvatting bepaald geen recht doe, verklaart het Boek der wachters hoe het kwaad in de wereld is gekomen. Van een “zondeval” die zou hebben plaatsgevonden toen Adam en Eva ondanks een goddelijk verbod aten van de “boom van kennis van goed en kwaad” had de auteur van het Boek der wachters niet gehoord. Sterker nog, niet één auteur van een tekst in de joodse Bijbel leest het Paradijsverhaal als een verhaal over de eerste zonde.

Het Paradijsverhaal zou kunnen gaan over de manier waarop de mensen zich opwerken van biologische tot culturele wezens. Ze ontdekken wie ze zijn als ze namen krijgen, ze leren het land bewerken, krijgen gevoelens van schaamte als ze zien dat ze naakt zijn, beginnen kleding te maken, ontwikkelen instituties als het huwelijk én verwerven kennis van goed en kwaad – waarmee er meteen een einde komt aan de paradijselijke situatie.

Er zijn andere interpretaties, maar die doen hier niet ter zake: het gaat me erom dat de auteur van het Paradijsverhaal in elk geval niet heeft gedacht aan een zondeval.

(Voor wie wil weten waar het idee vandaan komt: Paulus merkt op dat de zonde door Adam in de wereld is gekomen (Romeinen 5.12; 1 Korintiërs 15.21-22). De eerste die Genesis 2-3 als een val interpreteert is de auteur van een omstreeks het jaar 100 n.Chr. geschreven apocalyptische tekst die wordt aangeduid als 4 Ezra. Daarin komt de vraag aan de orde waarom Israël, dat de Wet toch onderhoudt, is gestraft met de verwoesting van de tempel en het antwoord is dan “de val” van Adam (7.118).)

Zoals gezegd: deze ideeën kennen we niet uit het jodendom en het stoort me dat Carel van Schaik, als hij in een interview vertelt hoe hij de joodse Bijbel leest, wel spreekt van een zondeval. Dit is niet slechts een kwestie van een onhandige keuze van een woord: het gaat om het niet herkennen van een concept dat je meeneemt uit je eigen cultuur en projecteert op een antieke tekst.

Het meenemen van je eigen ideeën is een fundamentele methodische fout, misschien wel de meest fundamentele die er in de geesteswetenschappen is. Het is in elk geval hét kernprobleem van de letteren en de hermeneutische methode is erop gericht de risico’s te verkleinen. Deze vormt de garantie – of beoogt een garantie te zijn – dat de bestudering van de letteren een wetenschap is, waarbij men streeft naar een [hier obligaat kentheoretisch geneuzel invoegen] zekere controleerbaarheid.

Hermeneuse (of hermeneutiek) is de kunst om elkaar te begrijpen, in het geval van de oudheidkunde over een stuk of twintig, dertig eeuwen heen. Het is niet heel anders dan in ons dagelijks leven. Als je voor het eerst met iemand kennis maakt, neem je allerlei eerdere ideeën mee: Hollanders zijn direct, pubers zijn lastig, alle mannen willen maar één ding. Wanneer we dan met iemand aan de praat raken, worden die noties verfijnd of gecorrigeerd en leren we de ander beter kennen, tot we zó goed weten hoe die denkt dat we diens reacties soms zelfs kunnen voorspellen.

Analoog hieraan treedt een oudheidkundige in dialoog met de teksten, om zo te komen tot begrip van de auteur. Ook daarbij neem hij zijn eigen ideeën mee. Zo verwacht degene die begint te lezen in een bundel epigrammen van de Latijnse dichter Martialis, dat de gedichtjes zullen gaan over seks, al was het maar omdat geen uitgever dit op de achterflap onvermeld laat. Al heel snel krijgt de lezer echter door dat zich tussen de erotische poëzie ook allesbehalve erotische teksten bevinden, zoals het ontroerende grafschrift van Erotion. Met een beeld van Martialis’ dichtkunst dat is verbeterd door te kijken naar de individuele gedichten, sluit de lezer het boek. Hij heeft een van zijn eigen ideeën afgeleerd. Wanneer hij besluit Martialis opnieuw te lezen, heeft hij al een beter beeld van wat hij mag verwachten en stuit hij op nieuwe details die het al verfijnde beeld verder verfijnen. Dit proces van steeds verdere aanpassing wordt aangeduid als de “hermeneutische cyclus”.

De Duitse geleerde Schleiermacher benadrukte aan het begin van de negentiende eeuw dat de heen-en-weer-gang tussen geheel en deel de belangrijkste weg was naar enerzijds het begrip van de tekst en anderzijds het afleren van de eigen ideeën. Dat gold niet slechts voor dichtbundels en gedichten, maar ook voor zinnen en woorden, voor paragrafen en zinnen, voor hoofdstukken en paragrafen, en kon evengoed worden gebruikt voor de antieke cultuur en haar onderdelen. Altijd weer was het geheel slechts te begrijpen door de delen te begrijpen, en was de betekenis van de delen slechts af te leiden uit het geheel. Je bleef op alle niveaus in spiralen gaan, en benaderde de waarheid steeds verder. Op deze wijze hoopte Schleiermacher de subjectiviteit van de interpretatie almaar te verkleinen.

Sindsdien is er veel geschreven over de hermeneutische methode en ik ga dat niet voor u samenvatten, want dat heb ik al gedaan in De klad in de klassieken, waarin ik er ook op heb gewezen dat het zoeken van auteursintentie niet de enige manier is om naar een tekst te kijken. Het gaat me erom dat Van Schaik de wetenschappelijke methode negeert, dus onvermijdelijk ontspoort, dus christelijke concepten projecteert op het jodendom en dus kwakgeschiedenis presenteert.

Tot besluit: zijn zulke ontsporingen te vermijden? Antwoord: nee, kwakgeschiedenis is onuitroeibaar. We kunnen haar verspreiding echter wel bemoeilijken en daarbij kunnen journalisten een rol spelen. Als je iemand moet interviewen die een mening heeft over antieke teksten, kun je gewoon even vragen welke methode hij heeft gebruikt om te verhinderen dat hij zijn eigen ideeën meeneemt. Dan heb je binnen een minuut in de gaten of je verder moet gaan met het interview.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Physics of Society (3)

In het vorige stukje heb ik getoond hoe de physics of society toepasbaar zouden kunnen zijn op het historisch proces. Het is Read more

Physics of Society (2)

In het eerste stukje legde ik uit dat “physics of society” veronderstelt dat veel menselijke gedragingen zijn te herleiden tot een beperkt Read more

Physics of Society (1)

Geschiedenis is méér dan “het ene ding na het andere” of “vroeger zag het er hier zo uit”. Je probeert Read more

Verklaren door vergelijken (3)

In de twee eerste stukjes heb ik uitgelegd dat vergelijken een manier is om oorzaken op te sporen, al moet Read more