Gustaf Kossinna (2)

Hallstatt-voorwerpen uit de Elzas (Palais Rhodan, Straatsburg)
14 juni 2021

Gustaf Kossinna, over wie ik zojuist al blogde, zou tegenwoordig gelden als een van de grootste archeologen aller tijden, als zijn opvattingen verder hadden gestaan van die van de Nazi’s. Het was in zijn tijd gebruikelijk aan te nemen dat niet alleen de Germanen, maar ook de sprekers van de Proto-Indo-Europese taalfamilie afkomstig waren van de Noord-Duitse Laagvlakte. De Germanen stonden daarom het dichtst bij de oorsprong en bezaten daardoor een etnische zuiverheid die elders afwezig was. Zo was Brittannië door invasies van allerlei volken (Belgen, Romeinen, Vikingen, Normandiërs) verworden tot een etnische smeltkroes, terwijl in Gallië Keltische, Romaanse en Germaanse elementen samenkwamen. De Germanen waren daarentegen raszuiver gebleven. Dacht men.

Nobele Germaanse wilden

Hun raszuiverheid maakte – nog steeds volgens Kossinna – de Germanen biologisch superieur. Bovendien hadden ze een superieure taal, die hen in staat stelde creatiever te zijn dan andere volken: een eigenschap die tot dan toe meestal was toegeschreven aan de Grieken. Wie met de nobele Germaanse barbaren contact maakte, meende Kossinna, raakte daardoor verrijkt.

Een historisch voorbeeld zou Karel de Grote zijn geweest, de Frankische leider die het oude Gallië revitaliseerde. Het belangrijkste prehistorische voorbeeld was de migratie die tegen het einde van het tweede millennium v.Chr. zou hebben plaatsgevonden. Proto-Germanen zouden zuidwaarts zijn getrokken, in Griekenland de Mykeense burchten hebben verwoest, een nieuwe cultuur hebben gesticht en dus verantwoordelijk zijn geweest voor het opbloeien van de Griekse beschaving. Waar de Duitsers aan het begin van de negentiende eeuw de Grieken als voorbeeld hadden aanvaard, slechts om de ideeën van de “Romein” Napoleon te voorzien van een contrapunt, waren de Grieken en Duitsers in Kossinna’s visie eigenlijk één volk. De Germaanse zuiverheid garandeerde dus creativiteit, die etnisch minder homogene volken zouden ontberen.

Deze onzinnige redenering had destijds overigens een schijn van logica, want geen Europese staat had zo snel haar zware industrie opgebouwd als Duitsland, geen natie kende zoveel uitvinders en wetenschapsbeoefenaren, geen stad groeide zo snel als Berlijn, nergens was de kunst zo vernieuwend, nergens waren zoveel relevante filosofen en componisten. Daarom was het op zich niet zo heel gek aan te nemen dat de Duitse cultuur een inherente dynamiek kende, al was dat uiteraard nog geen reden om de oorzaak maar tweeduizend jaar eerder te zoeken. (Het Bildungsideaal van Von Humboldt heeft betere papieren.)

Politiek gebruik van de archeologie

Na de Eerste Wereldoorlog werden Kossinna’s ideeën politiek geëxploiteerd. Hij verzette zich er niet tegen dat men redeneerde dat als er ooit ergens Germanen hadden gewoond, historische claims gerechtvaardigd waren. Dat er in de eerste eeuw v.Chr. Germanen waren geweest in de Elzas, bewees dan bijvoorbeeld dat het gebied ook in de twintigste eeuw hoorde bij Duitsland. Andere territoriale aanspraken die archeologisch werden onderbouwd, betroffen Tsjechië, waar de Marcomannen hadden gewoond, Polen, ooit het leefgebied van de Vandalen en Goten, en Oekraïne, waar eens de Goten hadden verbleven. Dit waren precies de gebieden die de Nazi’s nodig meenden te hebben om levensruimte te scheppen voor het Duitse volk. (Uiteraard gold niet dat Slavische volken aanspraak konden maken op gebieden waar zíj ooit hadden geleefd, zoals alle land ten oosten van de Elbe.)

Niet dat Kossinna en de Nazi’s als enigen zo dachten. In Frankrijk verdedigde de historicus Marc Bloch dat het feodale stelsel een Keltische uitvinding was, wat suggereerde dat de Kelten ooit ’s werelds meest geavanceerde natie waren geweest, hun tijd twaalf eeuwen vooruit. Opmerkelijker nog waren de opvattingen die in Engeland opgeld deden: men ging ervan uit dat de Engelse adel afstamde van de Normandiërs, dat het Engelse volk terugging op de Angelsaksen en dat de door de Engelsen geminachte bevolking van Wales, Schotland en Ierland van oorsprong Keltisch-Romaans was. Zo werd een sociale tegenstelling etnisch verklaard. Kossinna was dus een kind van een tijd waarin racisme en nationalisme hoogtij vierden.

De winst

Het idee dat alle beschaving uit het noorden was gekomen, mocht dan overdreven zijn, Kossinna bereikte ermee dat voor het eerst het uitzonderlijke belang van de Griekse cultuur werd genuanceerd. Ook Montelius’ opvatting dat de beschaving in het oosten was ontstaan en zich via Griekenland naar West-Europa had verspreid, stond nu ter discussie. De stelling dat de ijzerbewerking in Egypte was ontstaan, was nu echt onhoudbaar. Germaans Europa was weliswaar niet het voornaamste cultuurcentrum van de oude wereld, zoals Kossinna had beweerd, maar er hadden wel degelijk belangrijke culturele innovaties plaatsgevonden. Het diffusionistische geschiedbeeld, waarin culturele vernieuwingen zich vanuit één plaats over de wereld verspreiden, is werkelijk inadequaat.

Toch beginnen veel geschiedenisboeken over de Oudheid nog altijd in Irak en Egypte, en behandelen ze achtereenvolgens Kreta en Griekenland om vervolgens bij het Romeinse Rijk te belanden, zonder veel aandacht te besteden aan de Urnenveld- en Hallstattculturen. Eén verklaring is dat hedendaagse oudhistorici zich niet laten leiden door wat belangrijk is, maar door de toevallig beschikbare bronnen (de positivistische misvatting); een andere verklaring is dat weerzin tegen de nationaalsocialistische germanistiek een eerlijke beoordeling van de noordelijke culturen nog altijd bemoeilijkt. Dat is jammer, want Kossinna was zijn tijd vooruit toen hij de prehistorische archeologie van een kunsthistorische discipline veranderde in een sociaalwetenschappelijk en historisch vakgebied.

Deel dit blog:
Gustaf Kossinna (1)

In de dagen van Schliemann en zijn jongere tijdgenoot Montelius zou niemand de grens tussen klassieke en prehistorische archeologie hebben Read more

Curio in Africa

In het eerste stukje schreef ik dat Gaius Scribonius Curio in de zomer van 49 v.Chr. Sicilië verzekerde voor Caesar. Read more

Curio in Italië

Als ik u zeg dat het 20 augustus was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Marcellus Read more

De laatste dagen van Plinius de Oudere

Laten we eerlijk zijn: archeologen zéggen dat ze heel goed zonder teksten kunnen – zeker Lewis Binford was op dit Read more


Categoriën: Prehistorie