Gustaf Kossinna (1)

Gustaf Kossinna
14 juni 2021

In de dagen van Schliemann en zijn jongere tijdgenoot Montelius zou niemand de grens tussen klassieke en prehistorische archeologie hebben kunnen trekken. Er was nog zo veel onbekend, de methoden waren nog nieuw en in feite bestond de archeologie als wetenschap nog niet. Er waren hooguit wat aanzetten daartoe. Geleidelijk aan kozen sommige onderzoekers voor samenwerking met de classici en de oudhistorici; zij gingen hun materiaal presenteren op een gevaarloze wijze, ermee tevreden een hulpwetenschap te zijn waar classici iets aan hadden. Ik blogde er al over.

Er waren er die zich verzetten tegen het huns inziens overdreven belang dat werd gehecht aan Griekenland en Rome. Eén zo’n criticus was de Duitser Gustaf Kossinna (1858-1931), die meende dat de originaliteit van Griekenland en het oude Nabije Oosten systematisch werd overschat. Het werd tijd, vond hij, om de noordelijke volken de plaats te geven die ze verdienden. Daarom stichtte hij in 1909 te Berlijn het Deutsches Institut für Vor- und Frühgeschichte, dat niet veel later werd omgedoopt tot Institut für Deutsche Vor- und Frühgeschichte. Al voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren in Frankrijk en Engeland vergelijkbare instituten voor de nationale archeologie opgericht.

Einfühlen

Kossinna’s uitgangspunt was even voor de hand liggend als vruchtbaar. Montelius had een overzicht gegeven van de ontwikkeling van allerlei voorwerpen in de verschillende Europese regio’s, maar had de verschillen en overeenkomsten nooit kunnen verklaren. Hij was niet verder gekomen dan de constatering dat vernieuwingen in de materiële cultuur zich van oost naar west leken te verspreiden. Kossinna redeneerde dat culturele veranderingen altijd ontstonden doordat iemand erover had nagedacht, en dat de archeoloog idealiter tot dit individu moest zien door te dringen. In feite was zijn ideaal dus identiek aan dat van de andere oudheidkundigen van die tijd: einfühlen.

Dit was natuurlijk onmogelijk, maar archeologen konden wel de vondsten analyseren als afspiegeling van de levenswijze van de samenleving van de vernieuwer. Anders gezegd, het doel van de archeoloog moest de reconstructie van het gedragspatroon van de antieke samenlevingen zijn. Als dit tegenwoordig wordt beschouwd als het intrappen van een open deur, bewijst dat Kossinna’s invloed.

Hijzelf kwam tot een revolutionaire reconstructie van de Europese Prehistorie. In Die Herkunft der Germanen (1911) wees hij erop dat het veelvoud aan archeologische culturen van het prehistorische Europa kon worden teruggebracht tot een beperkt aantal cultuurkringen. Er was niet één, oosters centrum waaraan alle culturele vernieuwingen ontsprongen, er waren verschillende bronnen van beschaving. Zo was de Hallstattcultuur in Kossinna’s optiek het centrum van een nieuwe IJzertijdcultuur, die zich later over grote delen van Europa had verspreid en die hij identificeerde met de uit Griekse en Latijnse teksten bekende Kelten. Een tweede cultuurkring was gegroeid toen Rome zijn cultuur aan de Mediterrane wereld oplegde: de Romaanse kring, die in Kossinna’s tijd werd vertegenwoordigd door een Italiaanse, Roemeense, Franse, Portugese en Spaanse cultuur. De derde kring was de Slavische, die zich in de Vroege Middeleeuwen naar het westen had verspreid. Tot slot was er de Germaanse kring, waarvan het kernland lag in Duitsland en Scandinavië.

De archeologische cultuurkringen representeerden dus talig gedefinieerde etnische eenheden.

Migraties

Het moest mogelijk zijn aan te geven waar de verschillende Europese volken vandaan kwamen. De Germanen zouden hun ‘Urheimat’ hebben gehad op de Noord-Duitse Laagvlakte, waar Kossinna meende het bodemarchief te kunnen lezen als de nalatenschap van allerlei historisch bekende Germaanse stammen. Het was op die manier mogelijk aan te wijzen hoe deze zich hadden bewogen. Bepaalde voorwerpen die in de zesde eeuw n.Chr. in gebruik waren in het Visigotische Spanje, zouden kunnen worden teruggevolgd naar Aquitanië (vijfde eeuw), andere voorwerpen werden gevonden in zowel Aquitanië als Bulgarije (vierde eeuw), en zo kon een archeoloog de zwerftocht van deze stam volgen, terug naar de Oekraïne (derde eeuw) en het Oostzeegebied. Althans, dat beweerde Kossinna.

Archeologie en etniciteit

Dat oude voorwerpen kunnen en moeten worden gebruikt om de cultuur te reconstrueren van de samenleving die ze heeft geproduceerd, zullen weinig archeologen ontkennen. Even weinig archeologen zullen het er echter mee eens zijn dat deze culturele reconstructie moet beginnen met het bepalen van de etnische identiteit. Niet dat dit absoluut verboden is – het is best mogelijk aan de hand van het aardewerk de Latijnen van Midden-Italië te onderscheiden van de oostelijker levende Volscen, en vast te stellen dat zij in de vijfde eeuw het zuidoosten van Latium overnamen – maar Kossinna ging vaak wat kort door de bocht.

Zo is maar de vraag of het antieke woord ‘Kelt’ wel sloeg op een volk en is onduidelijk wie de Germanen waren: het gebied dat de Romeinen aanwezen als Germaans, had andere grenzen dan de door Kossinna als zodanig bestempelde archeologische culturen of de gebieden waar Germaanse talen werden gesproken.

Ook het concept van een ‘cultuurkring’ was omstreden, want het was heel lastig te definiëren. Dit alles zou voldoende hebben moeten zijn om de etnische duiding van culturen in onbruik te hebben laten raken, maar er was een Tweede Wereldoorlog nodig om het werkelijk te doen gebeuren. Dat we er nu voorzichtiger mee zijn, komt niet doordat de wetenschap zichzelf heeft vernieuwd, al had dat kunnen en moeten gebeuren, maar doordat de benadering politiek ongewenst was geworden.

Archeologie als sociale wetenschap

Hoewel Kossinna’s concrete resultaten dus werden verworpen, had hij wel aangegeven dat het mogelijk was met behulp van archeologische vondsten tot conclusies te komen die we historisch of sociaalwetenschappelijk zouden kunnen noemen. Zo gaf hij een beslissende wending aan de prehistorische archeologie: weg van de kunstgeschiedenis, naar de algemene geschiedenis en de culturele antropologie, waaraan prehistorisch archeologen konden bijdragen met informatie over nog onbekende culturen.

Kossinna opperde nog een ander idee, namelijk dat het mogelijk moest zijn de specifieke vormen van een archeologische cultuur op te vatten als een aanpassing aan het fysisch milieu. Zelf heeft hij deze gedachte nooit kunnen uitwerken, maar latere archeologen hebben dat wel gedaan.

[Wordt vervolgd]

Deel dit blog:
Gustaf Kossinna (2)

Gustaf Kossinna, over wie ik zojuist al blogde, zou tegenwoordig gelden als een van de grootste archeologen aller tijden, als Read more

Hatra

De buitenmuur rond de stad en de binnenmuur rond het heiligdom van Hatra De naam “Hatra” is Aramees en betekent Read more

De troonzaal in Babylon

Binnenplaats van het paleis in Babylon, met rechts de doorgang naar de troonzaal Je kunt niet zinvol over de Oudheid Read more

Domitianus en de christenen

Domitianus (Italica) Twee weken geleden schreef ik over de Fiscus Judaicus, de door keizer Vespasianus ingevoerde en door zijn zoon Read more


Categoriën: Prehistorie