Fenicië als doorgeefluik

Beeld van een Fenicische magistraat (Nationaal Museum, Beiroet)
3 november 2021

Beeld van een Fenicische magistraat (Nationaal Museum, Beiroet)

Ik ben nu al een tijdje bezig met een reeks over het handboek waarmee ik in het eerste semester van mijn eerste jaar aan de universiteit, 1985, oude geschiedenis kreeg onderwezen: Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. De politieke geschiedenis van de Bronstijd van het Nabije Oosten hebben we inmiddels gehad en de afgelopen weken kreeg u er nog een stortvloed aan Mesopotamië bij, plus een bespreking van het boek van Van De Mieroop.

Ik attendeerde op de volgorde waarin laatstgenoemde de materie presenteert. Eerst de economische en sociale kaders, pas daarna de evenementen. De Blois en Van der Spek maken de omgekeerde keuze. Ze bieden eerst evenementiële geschiedenis, daarna economie en sociale verhoudingen. Ik overdrijf een beetje – je kunt op dit punt niet al te consistent zijn – maar het verschil is belangrijk. Terwijl Van De Mieroop de verworvenheden van de sociale wetenschappen centraal stelt, zetten De Blois en Van der Spek een in feite negentiende-eeuwse, liberale traditie voort.

De Feniciërs

Wanneer we aankomen bij de Feniciërs, de IJzertijdcultuur van de oostelijke Middellandse Zee, is er nog een aspect waarin De Blois en Van der Spek hun stof presenteren in een negentiende-eeuws frame.

De Feniciërs zijn voor de westerse beschaving van grote betekenis geweest, omdat zij een doorgeefluik waren van de oudoosterse cultuur naar Europa. In deze periode, waarin de Grieken nauwelijks overzeese handel kenden, brachten zij oosterse producten naar Griekenland en andere landen in het westen.

Die oncreatieve Semieten toch

Punt één: een Semitisch-sprekend volk presenteren als slechts een “doorgeefluik”, dat is wel heel naar. In de negentiende eeuw meende menigeen dat Semieten geen creativiteit kenden. Zo hadden de Arabieren, dacht men toen, het antieke erfgoed doorgegeven aan West-Europa, niet méér. Onzin natuurlijk: denk maar aan de wijze hoe de madrasa de voorbode was van de universiteit. Of hoe de experimentele wetenschap in de Arabische wereld is ontstaan. Iets dergelijks gold voor de Bronstijd en IJzertijd. Alles was verzonnen door de Sumeriërs en Egyptenaren, allebei geen Semitische volken, en de Feniciërs waren het doorgeefluik richting Griekenland, dat gemakshalve werd beschouwd als bakermat van West-Europa.

We doen zo de Feniciërs tekort. Het is, in een tijd waarin de bronnenschaarste helemaal dramatisch is, moeilijk te documenteren, maar ik geef het volgende in overweging. De overgang van koper/tin naar ijzer die het begin van de IJzertijd markeert, betekende ook het wegvallen van de grote, kapitaalintensieve handelsnetwerken. IJzer is een heel democratisch metaal: het is overal te vinden. We zien in het Nabije Oosten kleine stadstaten opbloeien: Jeruzalem, Samaria, Damascus, de Fenicische steden, de Neohittitische en Aramese staatjes. In Egypte worden de gouwen steeds onafhankelijker. Nu het voornaamste metaal overal te krijgen was, werden kleinere economische en politieke eenheden levensvatbaar. De stadstaat is een uitvinding uit deze tijd en door de Feniciërs doorgegeven aan de Grieken, die dit niet hoefden in te voeren maar alternatieven hadden.

Het is  dus denkbaar dat er vormende werking van Fenicië op de Grieken is uitgegaan. En het gaat niet om het doorgeven van iets. Dit was een originele bijdrage.

Zoals gezegd: dit is moeilijk te documenteren, maar het verdient overweging en ik zou het belang Feniciërs niet willen reduceren tot doorgeven. Zelfs als het niet zo 1-2-3 bewijsbaar is, valt aan te nemen dat ze méér konden.

De DNA-revolutie

Punt twee: de overzeese handel. Wat De Blois en Van der Spek schrijven is gangbaar, maar is inmiddels problematisch. We zien een reeks verschijnselen in de Levant (het alfabet, de stadstaat, allerlei mythen en artistieke motieven…) en we zien een reeks daarop lijkende verschijnselen in Griekenland. We verklaren de overeenkomst met de aanname dat er handelscontacten zijn geweest. Voor die handelscontacten zijn ook aanwijzingen, maar tegelijk was handel in de Vroege IJzertijd een marginale activiteit. Hoe konden, zo vroeg de Italiaanse oudhistoricus Arnaldo Momigliano zich ooit af, zo weinig kooplieden zó’n grote culturele impact hebben?

Het antwoord is natuurlijk dat er naast die kooplieden ook andere reizigers waren. Dat is het grote inzicht van de DNA-revolutie: mensen waren supermobiel en namen hun ideeën mee. Nomaden, vluchtelingen, gewone landverhuizers, huurlingen: koophandel was noch de enige noch de dominante vorm van cultuuroverdracht.

Met dit alles zeg ik niet dat het hier besproken handboek slecht is. Dat is het niet. Een handboek moet tegenspraak uitlokken, zoals de typering van de Feniciërs als doorgeefluik. En een handboek is verouderd op de dag dat de auteurs het manuscript afronden. De implicaties van de DNA-revolutie zijn pas net duidelijk aan het worden. Al moet me van het hart dat twee hoogleraren die hadden horen herkennen.

Deel dit blog:
Caesar en Pompeius aan de Apsos

De vlakte van de Seman (de antieke Apsos) Als ik u zeg dat het 11 januari was, als ik toevoeg Read more

Geld, cultuur en welzijn (3)

Klinkende munt uit Dyrrhachion (Museum van Dürres) [Derde deel van een recensie, geschreven door Dirk-Jan de Vink, van Daniel Hoyer, Read more

Geld, cultuur en welzijn (2)

Reconstructie van een inscriptie (op naam van Plinius de Jongere) met een schenking aan de stad Como (Museo nazionale della Read more

Geld, cultuur en welzijn (1)

Het Romeinse Rijk behoorde tot de grootste, rijkste en meest stabiele rijken in de wereldgeschiedenis. Hoe valt het economisch succes Read more


Categoriën: Nog te categoriseren