Eigenlijk zou de DNA-revolutie “hermeneutische revolutie” moeten heten

12 juli 2021

Ik heb het regelmatig over de DNA-revolutie. Dat zou momenteel het belangrijkste thema in de oudheidkunde moeten zijn. Simpel gezegd: het bioarcheologische onderzoek toont dat mensen in het verleden opvallend mobiel waren en dat heeft vérstrekkende implicaties voor de bestudering van de oude teksten. Het zou misschien beter een “hermeneutische revolutie” kunnen heten, dan hadden was duidelijker waar het over gaat.

De DNA-revolutie

De grote ontdekking van de laatste pakweg tien jaar, mogelijk geworden door het @DNA- en @isotopen-onderzoek, bewijst dat de mensheid in de Prehistorie en Oudheid mobieler was dan archeologen, classici en oudhistorici lange tijd hadden aangenomen. Oudheidkundigen kunnen uitingen van de materiële cultuur nu niet langer zomaar beschouwen als aanwijzing voor afkomst. Een voorbeeld is het rond 1370 v.Chr. overleden Deense meisje van Egtved, dat archeologen op grond van grafgiften identificeerden als lokale prinses maar na isotopenonderzoek afkomstig bleek uit Zuid-Duitsland. Een ander voorbeeld is dat op het moment waarop Caesar aankwam in het Nederlandse rivierengebied, de helft van de bewoners niet uit de regio lijkt te zijn gekomen.

Een toekomstig voorbeeld is het project “Constructing the Limes” van Saskia Stevens, waarbij de Universiteit van Kopenhagen crematieresten zal onderzoeken en nieuwe inzichten zijn te verwachten over gender, diversiteit, mobiliteit, etniciteit en identiteit in het Nederlandse rivierengebied en achterland. Dat zijn modieuze onderwerpen en als zodanig misschien wat verdacht, maar het gaat wel degelijk ergens over – over wat het is mens te zijn, dus ook over u. Alexander van de Bunt, de auteur van het leuke boek Wee de overwonnenen, vertelde er onlangs over.

Eigentijdse hermeneutiek

Terug naar die DNA. Dat mensen mobieler waren dan gedacht, heeft gevolgen voor de hermeneutiek, dus de wijze waarop we cultuuruitingen interpreteren. Een antieke tekst is immers geschreven in een bepaalde taal en een filoloog zal hem het liefst duiden aan de hand van teksten uit dezelfde tijd, taal en regio. Pas als het zo niet lukt, werpt de onderzoeker de netten wijder. Je kunt het je voorstellen als hiërarchische cirkels: hoe verder in tijd, taal en ruimte je van het centrum gaat, hoe minder aannemelijk dat je iets betekenisvols vindt. Wie zich bezighoudt met Latijnse literatuur zal niet snel iets Perzisch lezen, want niet alleen zijn er praktische bezwaren, de kans dat daarin relevante informatie staat is ook kleiner dan in Latijnse, Griekse of Aramese teksten uit dezelfde periode.

Door mobiliteit verdwijnt deze hiërarchie. Mensen en ideeën kunnen overal zijn. De ruimtelijke en talige voorkeuren die er bij de uitleg waren, zijn dus weggevallen. Wie een antieke tekst leest, zal de netten voortaan altijd wijd moeten werpen en filologen verwerven een schat aan extra informatie. Om nu te beletten dat anything goes moeten we nu andere criteria dan “eigen taal en regio eerst” vinden.

Eén criterium is chronologie. Het blijft zinloos door veel tijd gescheiden cultuuruitingen te vergelijken. Een ander criterium is de reisroute: het is aannemelijker dat een cultuuruiting aan de Noordzeekust samenhangt met iets uit het overzee makkelijk bereikbare Portugal dan met iets van de over het land lastig te bereiken Balkan. De antieke reisroutes helpen bepalen welke ontleningen plausibel zijn. We moeten meer criteria bedenken, maar dit tweetal illustreert dat het kan.

De uitdaging

Enerzijds belooft de DNA-revolutie scherper zicht op onze herkomst, anderzijds verrijkt ze de uitleg van antieke cultuuruitingen. Om dit potentieel te realiseren, moet de wetenschap opnieuw worden georganiseerd. De historisch gegroeide (en dus onwetenschappelijke) grenzen tussen de disciplines zullen moeten veranderen.

Vroeger bedachten ze dan een interfaculteit en gingen ze aan de slag. Ik zou niet weten waarom zoiets niet opnieuw kan en dan mogen de betrokkenen, als ze het woord “interfaculteit” te jaren zeventig vinden klinken, het ook een intercapaciteitsgroep noemen – als ze hun schouders er maar eens onder zetten. Het kan toch niet zo zijn dat de koudwatervrees te groot is?

Tot slot dit. In De vergeten wetenschappen beschrijft Rens Bod hoe geesteswetenschappelijke inzichten de werkelijkheid vormen. Zo leidde de ontdekking van de talenstamboom tot een nationalisme waarbij identiteit was gebaseerd op taal, waardoor een land als België steeds verder uiteenviel in twee taalgemeenschappen. De DNA-revolutie biedt een andere visie op identiteit. Niet langer is de mensheid te beschouwen als boom met vertakkingen (lees: verdeeldheid), in plaats daarvan herkennen we haar als een biologisch én cultureel vlechtwerk van verbindingen. Oudheidkundigen krijgen een dijk van een kans om hun belang te bewijzen maar lijken per se de enige wetenschap te willen zijn zonder relevantie.

[Ik schreef dit al zo verschrikkelijk vaak. Maar het is dan ook verschrikkelijk deprimerend te zien hoe de wetenschap stagneert.]

Deel dit blog:
Factcheck: Het Afghanistan van Louise Fresco

Het is ogenschijnlijk triviaal, maar toch: de column van Louise Fresco in het Handelsblad van gisteren, daarover heb ik wat Read more

De Zeevolken: meer problemen

In de vorige vier stukken (één, twee, drie, vier) over de Zeevolken heb ik uitgelegd dat het bewijsmateriaal een consistent Read more

Historische excuses

Wat of ik als historicus en als Amsterdammer nou vond van de historische excuses die burgemeester Halsema onlangs maakte voor Read more

Roofkunst

Ruurd Halbertsma is conservator in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik vermoed – en hieruit mag u afleiden dat Read more