Een sprookjesstamboom

Bijlen uit de Pontische vlakte, ongeveer 3000 v.Chr. (Archeologisch Museum van Burgas)
15 november 2020

In 2016 publiceerden S.G. da Silva en J.J. Tehrani in Royal Society Open Science een elegant artikel met een weinig elegante titel (“Comparative phylogenetic analyses uncover the ancient roots of Indo-European folktales”), waarin ze betoogden dat ze van een aantal sprookjes de verspreiding konden verklaren. Eén voorbeeld is het verhaal van Sjaak en de grote bonenstaak (AT 328A), dat is overgeleverd in zowel Engeland als de Balkanlanden. Ver uit elkaar dus, en zonder de mogelijkheid dat het ene gebied het had overgenomen van het andere.

Omdat sprookjes worden doorverteld in een taal, zo redeneerden de auteurs, en omdat we de Indo-Europese taalstamboom redelijk kennen, was aannemelijk dat het verhaal in de Germaanse tak (de Engelse versie) en in de Slavische tak (de Balkanversie) was terechtgekomen doordat ze een gemeenschappelijke voorouder hadden, vóór deze twee takken gescheiden waren geraakt. Dat zou dan ergens in het late vierde millennium v.Chr. kunnen zijn geweest, toen deze twee taalgroepen nog naast elkaar lijken te hebben geleefd in Moldavië en het westen van Oekraïne.

Anders geformuleerd: omdat het sprookje niet voorkomt in de andere takken van de Indo-Europese stamboom, lijkt het te zijn ontstaan nadat deze twee taalgroepen het Indo-Europese thuisland verlieten maar vóór ze onderling gescheiden raakten. Da Silva en Tehrani wisten van nog 274 andere sprookjes vast te stellen dat de verspreiding verklaarbaar was vanuit de Indo-Europese taalstamboom.

Er zit echter een addertje onder het gras. We zouden deze stamboom, naar analogie met de stemmatiek waarmee we analyseren hoe antieke handschriften in middeleeuwse handschriften zijn overgeleverd, een “verticale overlevering” kunnen noemen. Volksverhalen verspreiden zich echter ook “horizontaal” als culturen onderling contact krijgen. Dit betekent dat van de 275 sprookjes er 199 afvielen omdat niet viel uit te sluiten dat het sprookje van de buren was overgenomen. Evengoed hielden Da Silva en Tehrani 76 sprookjes over die verspreid moeten zijn geweest doordat de twee taalgebieden een gemeenschappelijke voorouder hadden, wat teveel is om toeval te zijn.

Met dit alles wil niet zijn beweerd dat oudheidkundigen vaker moeten kijken naar mondelinge tradities. Die zijn allang onderzocht. Zie ik het goed, dan zou nog niet zo heel lang geleden zijn aangenomen dat de overeenkomsten tussen verhalen die heel ver van elkaar weg waren geraakt, zoals Sjaak en de grote bonenstaak, verklaard moesten worden door horizontale overlevering, waarna het verhaal in alle tussenliggende culturen zou zijn vergeten. Dat is een mogelijkheid, maar nu is bewezen dat er verticale overlevering is geweest, hebben we een minder complexe verklaring.

Een verklaring die we ook kunnen samenvatten, geloof ik, als migratie. Ik weet niet of dat werkelijk de enig mogelijke verklaring is, maar dit onderzoek is interessant genoeg om in de gaten te houden.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Mooie migranten: verhalen

Het thema van de Week van de Klassieken is migratie en dat betekent dat we het ook eens moeten hebben over Read more

Antieke migraties en migranten (2)

[Voor het eerste deel van deze reeks over antieke migratie: hier.] De migratie van namen Je kunt niet zeggen dat de Read more

Antieke migraties en migranten (1)

Migratie, dat mensen met een bepaalde identiteit elders gaan wonen bij mensen met een andere identiteit, is momenteel een belangrijk Read more

Oude talen, modern nationalisme

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn Read more