Een Arabische Uriabrief

16 januari 2021

Al-Mutalammis was een pre-islamitische Arabische dichter, die aan het hof van de christelijke koning ‘Amr ibn Hind (reg. 554–69) in het Iraakse al-Hīra verkeerde. Ook zijn neef Tarafa ibn ‘Abd was daar. Dat was een veel belangrijkere dichter, die tot vandaag de dag beroemd is gebleven, terwijl Mutalammis maar een klein œuvre had, dat ook nog voor een groot deel handelde over zijn traumatische ervaring met koning ‘Amr en de zog. Mutalammisbrief (sahīfat al-Mutalammis).

Hofdichters hadden indertijd de taak de koning en diens stam te bezingen in lofdichten en diens vijanden of andere minderwaardige personen of stammen uit te schelden in scheld- of smaadgedichten. Soms liep dat echter anders: wanneer een dichter bij voorbeeld slecht gehumeurd was, een kater had, zichzelf overschatte, in ongenade viel, of als de vorst erg treuzelde met het uitkeren van eregelden werd er ook wel eens een smaaddicht op de goedgunstige heer zelf gedicht. De dichters maakten royaal gebruik van hun vrijheid van meningsuiting en scholden dat het een aard had.


Zo dichtte Mutalammis bij voorbeeld (het lidwoord al- bij zijn naam laat ik verder maar weg):

Een koning die vrijt met zijn eigen moeder en haar personeel. [Van het vele neuken] is hij slap in zijn gewrichten en zijn pik is [dun geworden] als een kohlstift.

Aan de deur nodigt hij iedere smekeling binnen, maar als hij dan met hem alleen is gaat de man als een beest tekeer.1

Qua grofheid doet dit niet onder voor wat in de Nederlandse sociale media aan gescheld circuleert. Maar bij zo’n oude dichter rijmde het en was het metrum in orde.

De koning was not amused en besloot zich van de beide dichters te ontdoen door hen ver weg te sturen. Wellicht waren ze in al-Hīra te populair om hen ter plaatse te elimineren? Ze werden naar de gouverneur van Bahrayn gestuurd, voor wie ze elk een verzegelde brief meekregen, op vertoon waarvan hun allerlei geschenken zouden worden gegeven.

Hij [Mutalammis] verkeerde in het gezelschap van ‘Amr ibn Hind, de koning van al-Hīra, hij en Tarafa ibn al-‘Abd, en beiden dichtten ze scheldgedichten op hem. De koning schreef met betrekking tot hen twee brieven aan zijn stadhouder in Bahrayn. Hij liet hun doorschemeren dat hij daarin bevel had gegeven, hun beloningen te geven, maar in werkelijkheid beval hij, hen ter dood te brengen.
Ze gingen op weg, en toen ze in Nadjaf gekomen waren kwamen ze langs de weg een oude man tegen, die tegelijkertijd urineerde, een stuk brood at, en de luizen uit zijn kleren haalde en platsloeg.
Mutalammis zei: ‘Zo’n domme ouwe vent heb ik nog nooit gezien.’ ‘Hoezo?’ vroeg de oude, ‘ik verwijder wat lelijks, ik breng iets goeds naar binnen en ik dood een vijand. Veel dommer is iemand die zijn eigen doodvonnis meedraagt.’
Al-Mutalammis bekroop nu de twijfel, om wat hij had gezegd. Er kwam een jongeman uit al-Hīra langs en aan hem voeg Mutalammis: ‘Kun jij lezen, jongen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, waarop hij het zegel verbrak en de brief aan de jongen overhandigde. Er stond in: ‘Als Mutalammis bij je komt, hak hem dan zijn handen en zijn voeten af en begraaf hem levend.’ Toen zei hij tegen Tarafa: ‘Geef hem ook jouw brief te lezen; bij God, daar staat vast hetzelfde in.’ Maar Tarafa zei: ‘Nee, mij durft hij zoiets niet aan te doen.’
Al-Mutalammis gooide zijn brief in de rivier, met de woorden: ‘Daarmee gooi ik ook mijn huis weg,’ en hij vertrok naar Syrië. Maar Tarafa trok verder naar Bahrayn [en werd ter dood gebracht].
Zo werd de ‘Mutalammisbrief’ spreekwoordelijk.2

Vreemd is dat Mutalammis en Tarafa in het verhaal blijkbaar niet konden lezen, terwijl ze dat van een willekeurige jongen op straat wel meenden te kunnen verwachten. Of zouden de vertellers ervan uit zijn gegaan dat de brieven in het Pahlavi of Aramees waren geschreven, de talen van het Perzische Rijk, waarvan al-Hīra een vazalstaat was? Maar al-Hīra was toch juist een Arabisch koninkrijk? Hoe dan ook: een Uriabrief moet goed verzegeld zijn of in een vreemde taal zijn gesteld, of beide.

Bij ons heet zo’n brief die de overbrenger ervan onheil brengt een Uriabrief, naar het bijbelse verhaal over koning David en Bathseba (2 Samuel 11: 14–17). David zag vanaf het paleisdak hoe zijn buurvrouw Bathseba een bad nam en voelde zich zeer tot haar aangetrokken. Haar man Uria diende als soldaat in zijn leger. Hij was een Hethiet, een buitenlander dus, maar een goed geïntegreerde (2 Sam. 11:11). Van het een kwam het ander: Bathseba raakte zwanger van de koning; haar man rook lont en wilde niet meer naar haar terug. Nu gevoelde de koning de behoefte Uria uit de weg te ruimen, zodat hij met haar kon trouwen. Hij stuurde hem naar zijn opperbevelhebber met een brief, waarin deze bevel kreeg Uria bij een veldslag zodanig aan het front op te stellen dat hij zou sneuvelen. Zo gebeurde het, en zo had David de weg vrijgemaakt voor zijn huwelijk met de weduwe—uiteraard na een passende periode van rouw.

Als U nog een klassieke opleiding hebt genoten spreekt U misschien eerder van een Bellerophontische brief. Bellerophon werd namelijk door Proteus naar koning Iobates van Lycië gestuurd met een verzegelde opdracht om hem te doden. Maar de koning voelde daar niet voor en stuurde hem uit om het vuurspuwende monster Chimaera te doden, in de hoop dat dat zijn ondergang zou worden. Hier miste de brief zijn volle uitwerking, want Bellerophon slaagde er natuurlijk wel degelijk in, dat monster te vernietigen..

En anders herinnert U zich misschien wat de beide detectives Jansen en Jansens overkwam in de Chinese stad Hou Kou. Zij hadden een introductiebrief voor de plaatselijke politiecommissaris, die zij echter kwijt raakten en die door Kuifjes vriend Tchang was vervangen door een brief waarin in het Chinees te lezen stond: ‘Indien u niet bemerkt hebt dat wij twee gekken zijn, dan is dit daarvan het officieel bewijs.’ Hier was de schade niet erg groot: de commissaris moest erg lachen en liet ze de deur uit gooien.3

Zonder twijfel wemelt het in de wereldliteratuur van de Mutalammis-, Uria-, of Bellerophonbrieven. De benaming Uriabrief is vooralsnog het meest passend, want het verhaal over Uria lijkt het oudst. Of zou er nog een Egyptische of Babylonische voorloper zijn?

EXCURS: Geen brief, maar wel een parallel met Uria ziet David Powers4 in de verhalen over Zaid, de geadopteerde en, na de opheffing van het adoptieprincipe, weer ‘ontzoonde’ zoon van de profeet Mohammed, die echter een zeer hoge positie in de vroege elite bleef innemen. De parallellen lopen als volgt: Zayd was oorspronkelijk een slavenjongen uit Noord-Arabië geweest, een buitenlander/-staander dus. Mohammed begeert de ex-vrouw van deze ex-zoon (koran 33:37) en zet hem als legeraanvoerder in de eerste linie bij de slag bij Mu’ta, die wel verloren móest worden, zodat ook hij omkomt. Leuke stof voor een volgende blog?

NOTEN
1. K. Vollers, Die Gedichte des Mutalammis, Arabisch und Deutsch, Leipzig 1903, 38/13, 14; kāmil –di). Poëzie poëtisch vertalen kan ik niet, maar U krijgt zo toch een indruk.

مَلِكٌ يُلاَعِبُ أُمَّهُ وَقَطِينَهَا * رِخْوُ المَفَاصِلِ أَيْرُهُ كَالمِرْوَدِ
بالبابِ يَطْلُبُ كُلَّ طَالِبِ حَاجَةِ  *  فَإذَا خَلَا فَالمَرْءُ غَيْرُ مُسَدَّدِ

2. Ibn Qutayba, al-Shi‘r wal-shu‘arā’, uitg. Aḥmad Muḥammad Shākir, 2 dln. Cairo 1966, i, 181–2.

وكان ينادم عمرو بن هند ملك الحيرة، هو وطرفة بن عبد فهجواه، فكتب لهما إلى عامله بالبحرين كتابين، أوهمهما أنه أمر لهما فيهما بالجوائز، وكتب اليه يأمره بقتلهما. فخرجا حتى إذا كانا بالنجف، إذا هما بشيخ على يسار الطريق، يُحدِث ويأكل من خبر في يده، ويتناول القمل من ثيابه فيقصعه. فقال المتلمس: ما رأيت كاليوم شيخًا أحمق. فقال الشيخ: وما رأيتَ من حمقي؟ أُخرج خبيثاً وأْدخل طيباً وأقتل عدواً، أحمق مني والله من حامل حتفه بيده. فاستراب المتلمس يقوله، وطلع عليه غلام من أهل الحيرة، فقال له المتلمس: أتقرأ يا غلام؟ قال: نعم. ففكّ صحيفته ودفعها إليه، فإذا فيها: أما بعد، فإذا أتاك المتلمس فاقطعْ يديه ورجليه وادْفنه جيَّا. فقال لطرفة: ادفع إليه صحيفتك يقرأها، ففيها والله ما في صحيفتي. فقال طرفة“ كَلاّ، لم يكن ليجترئ عليَّ. فقذف المتلمس يصحيفته في نهر الحيرة وقال: قدفت به البيت، وأخذ نحو الشأم. وأخذ طرفة نخو البحرين.
فضُرب المثل بصحيفة المتلمس.

3. Hergé, De avonturen van Kuifje. De Blauwe Lotus, uitg. Casterman, 1947, blz. 46–47.
4. David S. Powers, Zayd, Philadelphia 2014, zie Subject Index onder Uriah the Hittite.

[Dit stuk is eerder gepubliceerd op de eigen blog van Wim Raven.]

Deel dit blog:
Oude woorden

Het oude Arabisch had een enorme woordenschat en vele eigenaardige woorden, die zonder uitvoerige omschrijving niet begrepen kunnen worden. Drie Read more

Djahiliya, of: islamitische oudheidkunde

Hoe zag het leven in Arabië eruit vóór de komst van islam? Veel te lang hebben wetenschappers die vraag laten Read more

Christenwappies in de Oudheid

Het christendom is een absurd geloof. De kerkvader Tertullianus (± 150–220) schreef het al: ‘De zoon van God is gestorven; Read more

Hellestraffen

Volgens de islamitische overlevering heeft Mohammed een reis door hemel en hel gemaakt. In een vorige blog bood ik de Read more


Categoriën: Arabië
Tags: