Edward Gibbon (2)

Theodora
12 november 2020

[Tweede deel van een stuk over Edward Gibbon; het eerste is hier.]

Het christendom

Gibbon was niet uitsluitend negatief over het christendom. Hij merkt bijvoorbeeld ergens op dat de populariteit van de nieuwe religie weliswaar de val van Rome had bespoedigd, maar deze val ook brak doordat ze het woeste temperament van de barbaren verzachtte. Toch valt te begrijpen waarom iemand als Samuel Johnson, de beroemde lexicograaf, aanstoot nam aan Decline and Fall, want zelfs als Gibbon ogenschijnlijk verwijten maakte aan de heidenen, nam hij in feite de christenen op de korrel. Het vijftiende hoofdstuk eindigt met de quasi-verbaasde constatering dat de heidense filosofen wel érg onverschillig waren omgegaan met de grote veranderingen in de fysische en zedelijke wetten van de wereld. Was de leer van Christus niet bevestigd geweest doordat de lammen wandelden, de blinden zagen, zieken genazen, doden opstonden, demonen werden uitgedreven en de natuurwetten steeds opnieuw waren opgeschort ten behoeve van de Kerk? De eigenlijke strekking van deze woorden was natuurlijk dat de bijbelse wonderen geen historische gebeurtenissen waren.

Gibbon kreeg nogal wat kritiek, die hij weerlegde in een korte Vindication of Some Passages of the Fifteenth and Sixteenth Chapters of The History of the Decline and Fall of the Roman Empire (1779). De persoonlijke en onjuiste aanval dat hij een atheïst zou zijn, liet hij onweersproken om zich te concentreren op het verwijt dat hij, bij zijn weergave van de kerkelijke discussies uit de Oudheid, zijn bronnen slordig zou hebben geciteerd. Dit moet Gibbon, die als betrekkelijke autodidact kwetsbaar was voor het verwijt het historisch ambacht niet in de vingers te hebben, hebben gestoken, te meer daar hij zich veel breder had gedocumenteerd dan gebruikelijk was. In de Vindication toonde hij aan dat hij ingewikkelde vroegchristelijke disputen wel degelijk adequaat had weergegeven en dat het juist zijn tegenstanders waren die het materiaal niet kenden.

Gibbons methode: antiquarisme

Het incident is belangrijk, omdat beide partijen het eens waren over een kwaliteitsnorm, namelijk dat de geschiedkundige al het bronnenmateriaal moest beheersen. Gibbons bronbeheersing bleef niet beperkt tot de geschreven teksten. Hij kende de Romeinse inscripties als geen ander, citeert vaak uit de publicaties van de Académie des Inscriptions en kende het werk van de grote numismaten van zijn tijd, zoals De Tillemont, die hij zag als een

weergaloze gids, wiens vooroordelen meer dan gecompenseerd worden door de verdiensten van zijn eruditie, ijver, waarheidsliefde en gewetensvolle accuratesse.

Het wemelt van de voetnoten waarin Gibbon noemt dat “de zege van X over Y werd herdacht met enkele penningen” en al in een van zijn eerste voetnoten wijst hij erop dat de reizen van keizer Hadrianus niet alleen zijn geattesteerd in de geschreven bronnen, maar ook door munten, inscripties en monumenten. Wat Gibbon in feite had gedaan, was het onderbouwen van een theorie over het belang van politieke en intellectuele vrijheid door middel van traditionele geschreven bronnen én antiquarisch materiaal. Dit was vernieuwend.

Met de antiquariërs, de grote verzamelaars van oudheden, deelde hij bovendien een brede geografische belangstelling, wat natuurlijk onvermijdelijk was bij zijn onderwerpskeuze. Het Romeinse Rijk had zich nu eenmaal uitgestrekt over drie werelddelen. In de latere, in 1788 verschenen, delen van Decline and Fall, waarin Gibbon de geschiedenis van het Byzantijnse Rijk beschrijft, breidde hij het beschreven gebied nog uit van het Middellandse Zee-gebied naar de wereld van de islam en de Tataren, Chinezen en Turken van Centraal-Azië.

Gibbons methode: de Verlichting

Toch was Gibbon meer dan een historicus die had bijgeleerd bij de antiquariërs. Kennis van de oude voorwerpen was voor Gibbon geen doel op zich. Als historicus was hij tevens beïnvloed door de ideeën van de Verlichting en hij gebruikte het verleden vooral om uitspraken te doen over destijds actuele vraagstukken, zoals het belang van vrijheid.

Daarin was hij explicieter dan Winckelmann. Beide geleerden zagen de Oudheid als een tijdvak om inspiratie aan te ontlenen, bijvoorbeeld om na te volgen (in de kunst) of om de eigen verworvenheden beter te appreciëren (in de politiek). Ook waren ze het erover eens dat de enige manier om wetenschappelijk verder te komen bestond uit een combinatie van het vakmanschap van de universiteit, de vragen van de Verlichting en de antiquarische kennis van de materiële cultuur. Er waren vanzelfsprekend ook verschillen: Winckelmann schiep de kunstgeschiedenis als een totaal nieuw vakterrein, terwijl Gibbon als historicus aansluiting zocht bij een al bestaande wetenschap.

Accuratesse

Gibbon was dus een van de grote vernieuwers van de historische methode, maar hij heeft meer gedaan. Hij heeft ook een nieuwe standaard voor accuratesse gezet. Niets stoorde hem meer dan feitelijke onjuistheden en hij had de gewoonte zijn werk voortdurend te corrigeren. Toen hij overleed was hij bezig met de tweede algehele revisie van Decline and Fall.

Catastrofale populariteit

Boven alles was de eerste echte oudhistoricus in het Engelse taalgebied echter een begaafd stilist, reden waarom zijn boeken nog altijd worden gelezen. Helaas ligt hier ook het gevaar, want hoe groot Gibbon ook was als geschiedschrijver, hij is naar de moderne maatstaven geen geschiedvorser. Zijn vertrouwen in de bronnen is ronduit naïef. Hij citeert bijvoorbeeld documenten uit de smakelijke collectie keizerbiografieën die bekendstaat als Historia Augusta, zonder zich te realiseren dat een deel van die documenten is verzonnen. Elders neemt hij zonder nadenken Prokopios’ sappige beschrijving over van de verdorven jeugd van keizerin Theodora.

Gibbons kwaliteitsnorm was dat zijn filosofisch getinte verhaal op voldoende plaatsen moest zijn voorzien van verwijzingen naar geschreven bronnen of antiquarisch materiaal. In de achttiende eeuw was dat gebruikelijk, maar de historische methode is sindsdien verbeterd. In de negentiende en twintigste eeuw leerden oudheidkundigen de bronnen niet alleen kritischer lezen, maar ook nadenken over de aard van hun activiteiten. De geschiedtheorie ontstond, de subdiscipline die zich bezighoudt met de kwaliteit van de redeneringen. Ze maakt het proces van kennisverwerving beter controleerbaar, leidt ertoe dat de geleerde bepaalde fouten leert vermijden en vormt daardoor een kwaliteitsgarantie. Kennis van de geschiedtheorie vormt het verschil tussen de wetenschappelijke geschiedkundige en de amateur, en daarom zeggen hedendaagse historici wel eens – slechts half in scherts – dat het jammer is dat Gibbon zo goed kon schrijven, want daardoor blijft zijn werk in druk en krijgen mensen ten onrechte het idee dat je zonder theoretische kennis geschiedenis kan schrijven. Dat kan, maar het vergroot de kans op fouten in de analyse en bewijsvorming.

Over het feit dat goede stukken op de Wikipedia worden verschlimmbessert door verwijzingen naar Gibbon toe te voegen en over het feit dat een Maarten van Rossem vervolgens de Wikipedia gebruikt in zijn boek over de ondergang van het Romeinse Rijk, hoeven we het verder niet te hebben. Dat is zoiets als afzien van twee eeuwen wetenschap of de voorkeur geven aan de diligence terwijl je ook met de auto kunt.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Alpenpas gezocht

Je zou denken dat intelligente mensen alleen maar heel verstandige dingen doen en hun tijd besteden aan heel belangrijke zaken. Read more

Edward Gibbon (1)

Net als Winckelmann, over wie ik al eens blogde, was de Britse historicus Edward Gibbon (1737-1794) in staat de oudheidkunde te Read more

De tien invloedrijkste antieke teksten

Justinianus kondigt de codificatie van het Romeins Recht aan. Miniatuur uit de Mainzer editie van 1477, waarvan een exemplaar (vastgebonden Read more

Het Onze Vader (3)

Reliëf met iemand in gebed (Makthar) Ik had vorige week een beginnetje gemaakt met het Onze Vader, een onderdeel van Read more