Droysen

Droysen (ets van Hugo Bürkner)
15 november 2020

De bestudering van het verleden lijkt wat op een pakhuis waarin van alles en nog wat ligt, Kreuz und Quer door elkaar. De een is historicus en zoekt in deze stellingenkast, de ander is archeoloog en pakt even verderop iets van het schap, de derde is classicus of socioloog en vraagt naar weer andere dingen. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Is er overzicht, systeem, structuur?

In mijn ervaring beschouwen veel onderzoekers de versplintering van de humaniora als gegeven. Het stoort me altijd een beetje, vooral als ze zonder nadere argumentatie zeggen dat het “nou eenmaal” zo is. Soms noemen ze de geesteswetenschappen “polyparadigmatisch”, wat minder sleazy klinkt maar op hetzelfde neerkomt.

Misschien is de versplintering inderdaad onvermijdelijk en moeten we niet langer hopen dat er in het pakhuis ooit orde zal zijn. Toch voel ik sympathie voor een Johann Gustav Droysen (1808-1884), die anderhalve eeuw geleden, in 1868, een Grundriss der Historik publiceerde waarin hij wat structuur aanbracht. Het was ook toen een geïdealiseerd overzicht, maar het maakt wel duidelijk hoe het proces van kennisverwerving zou kunnen verlopen en in die zin is het nog altijd nuttig. Eerstejaarsstudenten nemen er daarom nog weleens kennis van, meestal in uittrekselvorm.

Droysen onderscheidde vier fasen. In de eerste daarvan, die van de pragmatische uitleg, probeerde hij de feiten vast te stellen. We zullen een voorbeeld nemen uit Droysens jeugdwerk: in zijn Geschichte des Hellenismus (1836-1843) stelde hij de chronologie vast van de zogeheten Syrische Oorlogen uit de derde en tweede eeuw v.Chr. Welke oorlogen waren er nu eigenlijk, welke veldslagen werden gevochten, wie waren de commandanten? Kortom: wat waren de feiten?

Voor alle duidelijkheid: het gaat me er nu niet om dat zijn Eerste Syrische Oorlog niet goed was gereconstrueerd. Evenmin gaat het me erom dat Droysen een traditionele visie had op wat de moeite van het onderzoeken waard was, want er valt wel iets meer te bezingen dan grote mannen en wapengekletter. Dat deed Droysen ook wel, zij het later.

In de tweede fase, de uitleg van de voorwaarden, moest de oudheidkundige reconstrueren met welke omstandigheden de mensen destijds rekening moesten houden. Hierbij speelden zaken als fysisch en sociaal milieu een rol, maar ook het eigen karakter van de betreffende volken, dat weer samenhing met de territoria die de vorsten beheersten en de soldaten die daar vandaan kwamen, de economische middelen en hun organisatie, de stand van de technologie en ook mentale zaken als taal.

Tot zover kon de oudheidkundige zich beroepen op bronnen en voorwerpen. Maar “das wahre Faktum steht nicht in den Quellen”. Een historicus moest verder gaan dan de beoordeling van zijn bronnen. Bij de psychologische uitleg, de derde fase, werden de resultaten van de eerste twee onderzoeksfasen gecombineerd: hoe kwamen mensen, onder de gereconstrueerde omstandigheden, tot handelingen die de vastgestelde feiten als resultaat hadden?

Een voorbeeld: we hebben (tweede fase) een heel redelijk beeld van de tijd waarin de Ptolemaïsche bewindvoerder Sosibios leefde – we weten wat, zeg maar, de normale gang van zaken was – en we kennen (eerste fase) diens vernieuwende beslissing om in 217 v.Chr. Egyptische soldaten op te nemen in een leger dat tot dan toe had bestaan uit uitsluitend Macedoniërs en Grieken. De oudheidkundige moest zich inleven in zijn personage om te begrijpen hoe hij was gekomen tot zijn keuze. De vakterm voor dit inleven is einfühlen.

We hebben hier een heel negentiende-eeuwse visie op de bestudering van cultuur. Droysen doet hier namelijk hetzelfde als wat een halve eeuw eerder was voorgesteld door Friedrich Schleiermacher (1768-1834), toen deze als eerste structuur aanbracht in de diverse methoden van tekstverklaring en zo de hermeneutiek presenteerde als doordachte methode. Hij wees erop dat er altijd een bepaalde verwachting bestaat rond een cultuuruiting en dat een afwijking daarvan ons een glimp toont van het eigenlijke denken van de schrijver of kunstenaar. Anders gezegd, uit de innovatie blijkt de psychologie. Nog anders gezegd, vernieuwing blijkt uit haar verankering. Weer anders gezegd: in zijn afwijkende keuzes blijkt wat wie Sosibios was.

De psychische duiding stond tot slot in dienst van een vierde fase, de uitleg van de ideeën. Hier trachtte Droysen door te dringen tot de ideeën die zijns inziens de geschiedenis vormden. De hellenistische tijdgeest manifesteerde zich door de psyche van de actoren. Het doorgronden van die tijdgeest, dat was waar het allemaal om ging. (Als u het woord “tijdgeest” wat verouderd vindt, mag u het ook “mentaliteitsgeschiedenis” noemen. In het pakhuis der historie worden wel vaker oude opvattingen als nieuw verkocht.)

Ik wees op de parallel met Schleiermacher. Zijn hermeneutische methode was een heen-en-weer-gang tussen geheel en deel. Altijd weer was het geheel slechts te begrijpen door de delen te begrijpen, en altijd weer was de betekenis van de delen slechts af te leiden uit het geheel: bij zinnen en woorden, bij paragrafen en zinnen, bij hoofdstukken en paragrafen, bij gedichten en bundel, tussen gebouwen en plein, tussen huizen en nederzetting. Op alle niveaus gaat degene die iets uitlegt heen en weer tussen deel en geheel en zo spiraalt hij steeds verder naar de verleden werkelijkheid en wordt de subjectiviteit van de interpretatie almaar kleiner.

Zo was het ook voor Droysen. Volgens hem beschikte de historicus pas over een kader waarin hij een bron kon interpreteren als hij wist wat de tijdgeest was geweest. Heen en weer dus: we kunnen bronnen pas echt begrijpen als we weten in welk geestelijk klimaat ze zijn ontstaan, maar dat klimaat kunnen we alleen kennen door bronnenstudie. Een andere heen-en-weer-gang is die tussen evenement en psyche, want Droysen zocht de verklaring voor concrete gebeurtenissen in de gedachtewereld van de antieke mensen en reconstrueerde die gedachtewereld vanuit de keuzes die ze maken.

Tot zover Johann Gustav Droysen. Zoals ik al aangaf: dit is een geïdealiseerd overzicht van wat historici doen. Toch heeft het drie verdiensten. Eén: Droysen biedt wat orde in het proces van kennisverwerving. Hij accepteert niet dat het pakhuis van de geschiedvorsing een indifferente nevenschikking is van informatie, maar brengt structuur aan. Twee: Droysen maakt duidelijk dat politieke geschiedenis, de bestudering van het fysische en sociale milieu, taalkunde, etnografie, de studie van de techniek, aardrijkskunde, economie, literatuur en de bestudering van de materiële cultuur (wat we nu archeologie noemen) alle noodzakelijk zijn.

En drie: het gaat Droysen uiteindelijk om de mentaliteit. Hoe dachten mensen vroeger? Wie daar kennis van neemt, begrijpt beter dat zijn eigen denkbeelden niet de enig mogelijke zijn. Misschien zijn onze opvattingen beter – daar gaat de historicus niet over – maar je kunt, door de ideeën uit het verleden te leren kennen, je eigen ideeën beter begrijpen. Dat is één van de doelen van de bestudering van het verleden, al mag je er natuurlijk ook gewoon van genieten.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Topiek

Severus van Antiochië – die overigens niet kwam uit Antiochië maar in 465 werd geboren in Sozopolis in Klein-Azië – was geen Read more

Je leest nooit slechts één tekst

De zeeslag van Salamis vond plaats op 29 september 480 v.Chr. en de slag bij Marathon vond tien jaar eerder plaats. Over de maand Read more

De onmiddellijke context

Het is een bekende truc van populisten: een rauwe uitspraak doen (“alle moslims zijn terroristen”) en dan, als er kritiek Read more

Hermeneuse

In de vierde of derde eeuw v.Chr. schreef een anoniem gebleven joodse auteur de tekst die bekendstaat als het Boek der Read more