Dertig Egyptische dynastieën en drie Egyptische rijken

De Nijl
11 maart 2021

Zoals ik al eens vertelde, ben ik begonnen met het herlezen van het handboek waarmee ik in mijn eerste jaar oude geschiedenis leerde, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. Zijn de inzichten nog dezelfde? Ben ik dingen vergeten? Wat zou ik anders doen? Wat is leuk om toe te voegen?

Chronologische indeling

De Blois en Van der Spek vertellen dat de Egyptische auteur Manetho dertig dynastieën onderscheidde en dat er daarnaast een moderne indeling bestaat in drie rijken.

  • het Oude Rijk (c.2675-2200 v.Chr. ofwel de dynastieën Drie tot en met Zes),
  • het Middenrijk (c.2140-1720 v.Chr. ofwel de dynastieën Elf tot en met Dertien),
  • het Nieuwe Rijk (c.1540-1070 v.Chr. ofwel de dynastieën Zeventien tot en met Twintig).

Dit is een punt waar ik het anders zou hebben aangepakt. Ik zou hier hebben verteld wat beide systemen ons vertellen over het proces van wetenschappelijke kennisverwerving.

Negentiende-eeuws Egypte

De egyptologie is ontstaan nadat Champollion in 1822 het hiërogliefenschrift had ontcijferd. De eerste wetenschappelijke reconstructie van de Egyptische geschiedenis is dus ontstaan in de negentiende eeuw. Dat was een tijd waarin de schepping van de op één volk en één taalgemeenschap gebaseerde eenheidsstaat hoog op de politieke agenda stond en dat heeft ons beeld van het verre verleden gevormd. In de tijd van de Bourbons, Hannovers, Hohenzollern, Ottomanen, Romanovs en Savoyes vond niemand het vreemd de geschiedenis in te delen in dynastieën, en dus namen de eerste egyptologen dat over. Ook vond niemand expansie en imperialisme vreemd, en dus vonden de egyptologen de periode van eenheid goed en de perioden van decentralisatie slecht: vandaar de nadruk op de drie “rijken” en een typering van de tussenperioden als tijden van neergang.

De Blois en Van der Spek staan in deze traditie als ze schrijven dat het Oude Rijk “ten val” kwam omdat de heersers van deelgebieden, de gouwvorsten, “te machtig” werden. De egyptoloog Romer, wiens boek over deze periode ik hier besprak, presenteert het anders: de welvaart die was ontstaan had geleid tot het ontstaan van een rijke hofcultuur, waar nu meer mensen deel aan kregen. Dezelfde data, geïnterpreteerd vanuit een globaliserende cultuur, een ander verleden.

De eeuwige negentiende eeuw

Ik benadruk dit punt, omdat de negentiende-eeuwse indelingen bij ons zijn gebleven. De geschiedenis van Mesopotamië is ook gestructureerd in de vorm van dynastieën (“Derde dynastie van Ur”, “Eerste dynastie van Babylon”) en rijken (“Midden-Assyrische Rijk”). Ook de geschiedenis van het Romeinse Rijk wordt gewoonlijk zo verdeeld. Ze komen ons volkomen natuurlijk over, hoewel zeker de oosterse geschiedenis momenteel zinvoller te verdelen is met de archeologische begrippen: Vroege Bronstijd, Midden-Bronstijd, Late Bronstijd enz. (Dat ik hier het waardeoordeel “zinvoller” geef, is natuurlijk afhankelijk van mijn positie in de late twintigste en vroege eenentwintigste eeuw. Over een halve eeuw is dit weer achterhaald.)

Die negentiende eeuw, die blijft terugkomen. Het vertaalt zich bijvoorbeeld in de oudhistorische obsessie met burgerrechten: de afschaffing van de feodale rechten en de emancipatie van de burgerij waren in de negentiende eeuw nog iets dat mensen zich herinnerden en tot op de huidige dag is de verspreiding van het Romeins Recht een oudhistorisch hoofdthema. Zie ook onder: “democratie, Atheens”.

Nieuwe en oude inzichten

Soms overwint de geschiedschrijving de negentiende eeuw. Weinig historici zullen nog de oude typologie van Romeinse stedelijke rechten (de municipium-status die sommige gemeentes zouden hebben gehad) nog accepteren, maar helaas dringt zoiets niet door tot de archeologie. Nog vorige week correspondeerde ik met iemand over de municipale status van Tongeren en ik zie het misverstand ook weer in het overigens uitstekende boek van Buijtendorp. Andersom gebeurt natuurlijk ook, dat historici verouderde beelden hebben van de archeologie.

Nog wat negentiende-eeuwse fascinaties: de nadruk op territoriaal begrensde staten, de aanname dat er hoofdsteden zijn geweest, de belangstelling voor slavernij, het idee dat er een verschil is tussen oorlogstijd en vredestijd en de aanname dat er een wezenlijk onderscheid is tussen het christendom en het heidendom. Die laatste is natuurlijk een projectie van de negentiende-eeuwse antithese tussen confessioneel en niet-confessioneel en tussen godsdienst en seculiere wetenschap.

Hoe de negentiende-eeuwse obsessies ons beeld van de Oudheid hebben gevormd, weet elke oudheidkundige. Als het niet in het handboek staat, komt de uitleg wel gewoon op college, dat er immers is om te contextualiseren. Het vervelende is dat die negentiende-eeuwse ideeën elders nog volop circuleren. Als archeologen de twintigste-eeuwse inzichten van historici al niet kennen (en vice versa), moeten we dat niet vreemd vinden.

Deel dit blog:
Hunebedden van de dag: D19 en D20 (Drouwen)

Hunebedden D20 en D19 bij Drouwen De hunebedden van Drouwen staan ook bekend als de “Steenhopen”: een weinig verrassende naam voor Read more

Nep-hunebed van de dag: Gasselte

De heuvel waarin geen hunebed was Het is alweer tien maanden geleden dat ik schreef over het nep-hunebed van Gasselte. Read more

Hatra

De buitenmuur rond de stad en de binnenmuur rond het heiligdom van Hatra De naam “Hatra” is Aramees en betekent Read more

De troonzaal in Babylon

Binnenplaats van het paleis in Babylon, met rechts de doorgang naar de troonzaal Je kunt niet zinvol over de Oudheid Read more


Categoriën: Egypte