Dendroklimatologie

12 november 2020

Een van de  lezers van deze blog attendeerde me op Wat bomen ons vertellen. Een geschiedenis van de wereld in jaarringen van de Belgische onderzoekster Valerie Trouet. De Engelse titel is Tree Story en het gaat, zoals u al vermoedde, over dendrochronologie: de tak van wetenschap die door middel van jaarringtellingen helpt vaststellen hoe oud houten voorwerpen zijn. Dat lijkt simpel en het is makkelijk te denken dat het intellectueel weinig voorstelt, maar dat is een grof misverstand.

Om te beginnen: het is niet simpelweg een kwestie van even de jaarringen van een omgezaagde boom tellen, zoals we allemaal weleens in het bos hebben gedaan. Zelfs als we dat zouden kunnen, moet je maar hopen dat je in zo’n schijf hout elke ring herkent. Soms is een jaar namelijk zó slecht dat de boom domweg geen ring aanmaakt. Een tweede kwestie is dat dendrochronologen geen bomen kappen – dat zou immers neerkomen op de vernietiging van data – maar een monster nemen met wat hoveniers een “aanwasboor” noemen, een soort appelboor om een staaf hout uit een boom te trekken. Een dikke boom levert veel informatie op maar is lastig om tot in de kern te bemonsteren. Een derde kwestie is dan weer dat je van levend hout terug moet naar monsters uit oude gebouwen en naar archeologisch en fossiel hout. Matches tussen de diverse delen zijn nog niet zo makkelijk gelegd; ik schreef er al eens over in verband met de ten onrechte genegeerde dateringen van het hout in Kaneš.

Historische klimaatreconstructie

Zou dendrochronologie inderdaad niet meer opleveren dan dateringen, dan zouden haar resultaten fundamenteel zijn maar misschien niet heel uitdagend. Je zou dan begrijpen waarom classici “die jaarringtellerij” afdoen als hulpvak bij de door hen als bijvak beschouwde archeologie. Maar chronologie is slechts één toepassing van dendrochronologie en de waarde van Wat bomen ons vertellen zit vooral in wat Trouet vertelt over de bijdrage aan de klimaatwetenschap. De dikte van een jaarring biedt immers een aanwijzing voor het weer in een bepaald jaar, en in combinatie bieden de jaarringen een aanwijzing voor het gemiddelde van een groot aantal jaren – het klimaat.

De Noord-Atlantische Oscillatie (uit het besproken boek)

In een vroeg hoofdstuk vertelt Trouet over de Noord-Atlantische Oscillatie (NAO). Boven de Azoren ligt doorgaans een hogedrukgebied, waar de winden met de wijzers van de klok mee waaien, terwijl boven IJsland een lagedrukgebied is, waar de winden de andere kant op draaien. Halverwege die twee waaien de winden van west naar oost, van de Atlantische Oceaan richting Ierland. Als het verschil tussen het hoge- en lagedrukgebied groot is, zijn de winden hard, zijn de Britse eilanden koud en nat en stormachtig, is het westen van het Middellandse Zee-gebied droog en is het in Midden-Europa rustig weer. Is het verschil tussen het hoge- en lagedrukgebied klein, dan is het droog op de Britse eilanden, is het vochtig rond het westelijk bekken van de Middellandse Zee en houdt in Centraal-Europa niets de Siberische oostenwind tegen. Het bestaan van deze “Schots-Marrokaanse wipwap”, zoals Trouet de NAO noemt, is voor historische tijden gedocumenteerd in jaarringreeksen en bevestigd door stalagmieten.

De Late Oudheid

Het spannendste hoofdstuk gaat over de ontdekking van een impasse in het orkaanseizoen in de Caraïben die de piraterij vereenvoudigde; het op één na spannendste hoofdstuk gaat over een regenperiode die de Mongolen in staat stelde grote cavalerielegers op te bouwen; de belangrijkste hoofdstukken zijn de laatste, waarin Trouet ingaat op klimaatverandering. U moet ze maar lezen; ik zal me beperken tot de Late Oudheid, dus de periode die begint in de derde eeuw n.Chr., als er een einde komt aan de ideale omstandigheden waaronder het Romeinse, het Parthische en het Han-rijk in China bloeiden. Terwijl de zomers koeler werden, wisselden natte en droge decennia elkaar af: het klimaat werd onregelmatiger en de speelruimte waarmee de toenmalige heersers beleid konden uitvoeren, nam af.

Trouet beschrijft drie scenario’s over de wijze waarop het klimaat invloed kan hebben gehad op de veerkracht van de laatantieke samenleving. Eén scenario is dat de landbouwproductiviteit afnam. Tot dan toe had de grote spreiding van het Romeinse Rijk ervoor gezorgd dat een klimaatverandering in de ene regio viel op te vangen in een ander gebied, maar nu kregen alle provincies het tegelijk hard te verduren. Trouet schrijft:

Klimaatschommelingen zijn ontwrichtend voor landbouwsamenlevingen omdat ze moeilijk te bestrijden zijn met sociale of technologische innovaties.

Ik wou dat ik deze zin zelf geschreven had, want Trouet vat zo in zestien woorden de vergelijkingstheorie samen – dus waarom je niet zomaar de sociaalculturele aspecten van de Oudheid met het heden mag vergelijken of de Middeleeuwen met de IJzertijd. Ze lijkt zich niet helemaal bewust te zijn hoe zinledig zulke vergelijkingen zijn, want ze geeft op dezelfde pagina (168) een typering van de laatantieke samenleving (“behalve topzwaar ook nog eens genotzuchtig”) waar ze aan toevoegt dat de gelijkenis met onze samenleving niet toevallig is. Een eindredacteur zou haar op deze inconsistentie hebben kunnen wijzen.

Migrerende nomaden en bacillen

Terug naar de Late Oudheid. Trouets tweede scenario is dat klimaatverandering de nomadenstammen van Centraal Eurazië naar het westen zou hebben doen trekken. Meer precies noemt ze de Hunnen, die door droogte hun gebieden zouden hebben opgegeven en naar het westen zouden zijn getrokken en daarbij enkele andere stammen voor zich uit dreven. Misschien is het waar, maar ik teken aan dat de Euraziatische steppe sowieso van oost naar west groener wordt en dat de oost-west-beweging er een is van alle tijden. Dat sluit niet uit dat een klimaatverandering de Hunnen op drift kan hebben doen slaan, maar ik zou hebben willen lezen wat anders was bij de Hunnen dan bij de Skythen, de Sarmaten, de Avaren en de andere stamfederaties.

Een derde manier waarop klimaatverandering, zoals gedocumenteerd in jaarringen, kan samenhangen met de desintegratie van het West-Romeinse Rijk is dat de afwisseling van droge en natte decennia én grootschalige ontbossing (gedocumenteerd door kapdata) de condities hebben geschapen waaronder de malariamug gedijt. Een andere ziekte is de pest, waarvan vaststaat dat die in  de zesde eeuw verschrikkelijk heeft huisgehouden. De Laatantieke Kleine IJstijd (Late Antique Little Ice Age, LALIA) begon met met enkele vulkaanuitbarstingen ten tijde van keizer Justinianus, die zorgden voor een scherpe temperatuurdaling, en deze ijstijd bleef in stand doordat er weinig verschil was tussen het hoge- en lagedrukgebied boven de Atlantische Oceaan. De westelijke oceaanwind bereikte Europa niet, de kille oostenwind was koning en de temperatuur bleef laag. Ideaal voor de verspreiding van zwarte ratten, marmotten en woestijnratten, die de vlooien meedroegen met de pestbacil.

Trouet zoekt geen monocausale verklaringen en beweert niet dat dendroklimatologen als enigen alles kunnen verklaren, maar ze toont wel dat er verschillende wegen zijn geweest waardoor klimaatveranderingen de veerkracht van de samenleving deden afnemen en de opties voor de laatantieke bestuurders verkleinden. De relatie tussen klimaat en samenleving was complex.

Tot slot

Tot slot: Trouet heeft ervoor gekozen er een persoonlijk boek van te maken. We horen dus ook over diefstal in Afrika, over grappen in het lab, over macho-onderzoekers en over geestloze lessen Latijn. (Trouet betaalt het vooroordeel dat classici hebben over archeologie en dendrochronologie met gelijke munt terug.) Ik denk dat ze er goed doet aan te geven dat wetenschap soms een kwestie is van dom toeval.

Schitterend is het voorbeeld dat Trouet eens een dag te ziek is om veldwerk te doen, achterblijft om wat te schrijven, ineens uit een ooghoek een raar gat in een grafiek ziet en zo min of meer bij toeval een correlatie ontdekt tussen een tijd met weinig orkanen en het maunderminimum. De lezer mag weten hoe toevallig zoiets gebeurt en Trouet heeft alle recht om trots te zijn op haar ontdekking.

Wat in het ene medium goed werkt, is in het andere echter niet altijd de ideale vorm. Persoonlijke anekdotes zijn handig om de aandacht te trekken, en dus prima bij een college of op TV of in desnoods in een blog, maar helpen minder om in een boek de aandacht vast te houden: Trouet plaatst zichzelf tussen de lezer en haar interessante materie. Ik denk dat het boek, wat minder persoonlijk verteld, nét even sterker zou zijn geweest. Evengoed is Wat bomen ons vertellen ook zo een spannend boek van de soort waaraan de geesteswetenschappen zo’n schreeuwend gebrek hebben: uitleg van hoe wetenschappers weten wat ze weten. Kortom, een geslaagd boek dat ik van harte aanraad.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
De Zeevolken: meer problemen

In de vorige vier stukken (één, twee, drie, vier) over de Zeevolken heb ik uitgelegd dat het bewijsmateriaal een consistent Read more

De Zeevolken: de problemen

In de stukken die ik tot nu toe wijdde aan de Zeevolken vatte ik samen hoe De Blois en Van Read more

De Zeevolken: het bewijsmateriaal

In het eerste stukje over de Zeevolken – dat ook “het einde van de Bronstijd” had kunnen heten, vatte ik Read more

De Zeevolken: het klimaat

In het vorige stuk over de Zeevolken vatte ik samen wat De Blois en Van der Spek erover schreven in Read more