De Zeevolken: de problemen

Het verwoeste paleis van Ugarit
11 augustus 2021

In de stukken die ik tot nu toe wijdde aan de Zeevolken vatte ik samen hoe De Blois en Van der Spek in Een kennismaking met de oude wereld uitleggen wat er aan de hand was. Ze doen dat met alle voorzichtigheid die het onderwerp vereist, want veel is onduidelijk. Wat echter inmiddels wél zeker is, is dat er een klimaatverandering is geweest die het maatschappelijke aanpassingsvermogen te boven ging. Ik keek naar het bewijsmateriaal en wees erop dat dit viel te presenteren als een consistent verhaal: zo rond 1200 v.Chr. was er een klimaatomslag; volken uit het Griekse gebied raakten op drift; er was een noordwest-zuidoost-beweging van Zeevolken; steden werden geplunderd; het Hethitische Rijk ging ten onder; de vraag naar tin nam af; de interregionale handelsnetwerken stortten in; men schakelde over op ijzer. We zouden de migratie van de Frygiërs vanaf het zuidelijke Balkanschiereiland naar Anatolië nog kunnen toevoegen.

Complicaties

Het is mogelijk het bewijsmateriaal zo te presenteren, maar er zijn complicaties. De voorgaande alinea past mooi in een negentiende-eeuws frame dat beschavingen à la het West-Romeinse Rijk ten onder gingen door migraties. Dat was destijds een populaire analyse – om niet te zeggen: een koloniaal angstbeeld – maar het is voor de transitie van Oudheid naar Middeleeuwen achterhaald. Op drift geraakte stammen assimileerden en de veranderingen in het Mediterrane wereldrijk hadden vooral te maken met het feit dat het al van binnenuit verzwakt was. Iets dergelijks kan natuurlijk ook spelen bij de Zeevolken: die werden gevaarlijk doordat de oosterse grootmachten al verzwakt waren, waarbij de klimaatomslag die de Zeevolken het ruime sop deed kiezen, slechts één factor was. Moeten we niet zoeken naar andere factoren?

Eén zo’n factor heb ik in feite al aangestipt. Normaalgesproken kan een samenleving zich aanpassen aan een klimaatomslag – de gebeurtenissen een millennium eerder waren een voorbeeld – maar dit keer overtrof de klimaatomslag het maatschappelijk aanpassingsvermogen. De veerkracht is zo een tweede factor of, zo u wil, een explicieter benoemd aspect van de eerste factor.

Verwoestingen te over

Een wezenlijker punt is de aard van het archeologisch bewijs. Er zijn op allerlei plaatsen verwoestingslagen gevonden. Goed gedocumenteerd zijn de steden van Cyprus: Pafos, Kition en Enkomi. Mykeense Grieken vestigden zich rond 1200 te Maa en vertrokken een kwart eeuw later. In de Levant zijn er Tarsus, Ugarit, Karchemish en Aleppo. In deze regio zouden na de twaalfde eeuw Neohittitische stadstaten bestaan en duiken ook de Arameeërs op. De verwoesting van Hazor in Israël is wel toegeschreven aan binnenvallende Hebreeën, al is het idee dat er werkelijk een Intocht is geweest, nogal omstreden – en dan druk ik me voorzichtig uit. Er zijn verwoestingen aangetroffen in de Fenicische stad Byblos en ook Ashkelon is relevant. De Hethitische hoofdstad Hattusa lijkt te zijn geëvacueerd (maar of dat met de Zeevolken heeft te maken, weten we niet). In Griekenland kwam een einde aan de paleisburchten en ik voeg daar gemakshalve Troje aan toe.

Dat zijn twaalf steden en het ziet er overdonderend uit, maar het is in feite lastig te dateren. Van de Mykeense paleisburchten is Thebe verwoest in de tijd waarin het aardewerk werd gemaakt dat bekendstaat als LH IIIb1, Tiryns tijdens LH IIIb2, Pylos en Troje VIIa tijdens LH IIIc1. In Mykene zijn verwoestingen bekend uit LH IIIb1 én LH IIIb2. Gemakshalve kun je zeggen dat de misère ruim voor 1250 begint en eindigt na 1200 – maar dat is dus gemakshalve.

Het dateringsprobleem

Aardewerk uit de Late Bronstijd is namelijk notoir lastig te dateren. Dat geldt voor een ouderwetse schakeldatering, waarbij je de gelijktijdigheid van diverse soorten aardewerk gebruikt om een relatieve chronologie op te stellen, die je uiteindelijk koppelt aan de Egyptische koningslijst. Maar daarin zit ruimte. We zagen al dat de zeeslag van Ramses III in zowel 1186 als 1177 v.Chr. valt te dateren. Proberen we een koolstofdatering, dan lopen we aan tegen het probleem dat er juist in deze periode een plateau zit in de kalibratiecurve, waardoor een monster van 2962 ± 15 jaar BP een kans van 65% heeft tussen de 1225 en 1125 v.Chr. te komen.

Dit klinkt misschien wat hermetisch, maar het betekent dat het dozijn steden dat ik zojuist opsomde, niet tegelijk is verwoest maar in een veel wijdere periode. We hebben tweederde kans dat het gaat om een eeuw en het kan dus nog wijder zijn. Terwijl die paleisburchten in Griekenland dus grosso modo wat eerder ten onder zijn gegaan. Complex dus allemaal. En het is nog wat complexer, zoals we morgen zullen zien, als ik deze reeks afrond.

Deel dit blog:
De Zeevolken: meer problemen

In de vorige vier stukken (één, twee, drie, vier) over de Zeevolken heb ik uitgelegd dat het bewijsmateriaal een consistent Read more

De Zeevolken: het bewijsmateriaal

In het eerste stukje over de Zeevolken – dat ook “het einde van de Bronstijd” had kunnen heten, vatte ik Read more

De Zeevolken: het klimaat

In het vorige stuk over de Zeevolken vatte ik samen wat De Blois en Van der Spek erover schreven in Read more

De Zeevolken

In de reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, wil ik Read more