De vaart der volkeren (1)

Turgot
12 november 2020

De meest in het oog springende activiteit van archeologen is dat ze voorwerpen opgraven, maar dat is beslist hun enige bezigheid niet. Die vondsten zeggen namelijk niet zo veel en krijgen pas betekenis als ze worden geïnterpreteerd. Een hoop ouwe muurresten krijgt betekenis als je een brandlaag herkent en kunt zeggen dat de stad door mensenhanden is verwoest. Het probleem hierbij zou kunnen zijn dat die brandlaag ook door een aardbeving kan zijn ontstaan. Of dat plunderaars de stad aanvielen toen die na een aardschok kwetsbaar was. (Wellicht herkent u dit voorbeeld: Troje.) Kortom: interpretatie is zo makkelijk nog niet en het wetenschappelijke van de archeologie zit ’m in de poging de subjectiviteit te verkleinen. Dat geldt trouwens voor alle subdisciplines van de oudheidkunde.

Er bestaan procedures en modellen en theorieën om de subjectiviteit te verkleinen maar daarmee zal ik u niet vervelen. Het gaat me erom dat wat op het niveau van een opgraving geldt, ook geldt voor het opgegraven verleden als geheel: al die archeologische informatie samen vertelt het verhaal van de mensheid, maar hoe herken je dat verhaal? Hoe rechtvaardig je, om zo te zeggen, de diverse plotwendingen?

Dit probleem was al bekend in de achttiende eeuw, toen de archeologie in feite nog niet bestond. Het werd herkend door onder meer Anne-Robert Turgot en Marie Jeanne de Condorcet, die u beide moet plaatsen in de tijd van de Franse Revolutie: de eerste was als econoom in dienst van Lodewijk XVI en de tweede schreef een enthousiast pamflet over de menselijke vooruitgang. (Tussen haakjes: u moet het lezen, het is geweldig.) De heren meenden dat de menselijke geschiedenis werd getypeerd door groei, verbetering en verheffing.

Dat begon in de oertijd. Volgens hen was de oermens een dier geweest dat, omdat het geen slagtanden, klauwen of angels had, noodgedwongen had geleefd als aaseter. Na de ontdekking van de eerste werktuigen zou deze vroege mens zijn prooien levend hebben leren vangen en was de mensheid aangekomen in het stadium dat men aanduidde als “wildheid”.

De mensheid was deze wildheid echter ontgroeid. Ze had ontdekt dat het praktisch was vee niet elke dag te gaan zoeken, maar in een kraal bijeen te drijven. Zo was de veeteelt ontstaan, waren de mensen aan een plaats gebonden geraakt, sedentair geworden en betere huizen gaan bouwen. Weer later was – zo meende men in de late achttiende eeuw – de akkerbouw ontstaan, toen de mensen hadden ontdekt dat het handiger was graan op dezelfde plaats te verbouwen dan het steeds te moeten zoeken. Het nu bereikte stadium duidde men aan als barbarij. En zo voort, en zo verder.

Het derde stadium van de menselijke ontwikkeling was dat van de beschaving. Door verdere technische vooruitgang was de samenleving complexer geworden. Het koningschap was ontstaan; voor administratieve doeleinden zou het schrift zijn ontwikkeld; steden waren gesticht, staten gegroeid, imperia ontstaan.

Wildernij, barbarij, beschaving. Welk bewijs hadden Turgot en De Condorcet hiervoor?

Geen enkel. Ze hadden nooit een oermens gezien. Het hele beeld was gebaseerd op slim redeneren op basis van indirect bewijs. Weliswaar waren er over de veronderstelde, primitieve samenlevingen geen teksten, maar dat mensen zo leven konden als ze veronderstelden voor het tijdperk der wildernij, was vastgesteld toen Europese ontdekkingsreizigers in Patagonië en op Vuurland mensen hadden gezien met een nomadische leefwijze en een simpele techniek. Voor het eerst begrepen de geleerden dat de vuistbijlen en speerpunten, die in Europese rariteitenkabinetten waren beschouwd als wapens van elfen, waren vervaardigd door mensen.

Bewijsmateriaal voor de fase der barbarij was te vinden in de antieke bronnen, zoals Tacitus’ korte traktaat over de Germanen en de etnografische hoofdstukken die Herodotos en Caesar hadden gewijd aan de Skythen en de Galliërs. Daarnaast waren er opnieuw etnografische parallellen.

De negentiende-eeuwse archeologie heeft dit interpretatiekader met drie treden van beschaving op hoofdlijnen bevestigd. We zijn, in de loop der eeuwen, inderdaad meer mans geworden. Archeologische musea in het voormalige Oostblok – ik denk aan onder meer de nationale musea in Sofia en Tasjkent – tonen het verleden op deze manier, dus heel anders dan de meer kunsthistorische verhalen die u kunt zien in het Rijksmuseum van Oudheden of het Allard Pierson-museum.

Het punt dat ik hoop te hebben gemaakt: archeologie is niet een kwestie van “data, data, speak to me!” De vondsten zeggen namelijk helemaal niks. Ze krijgen pas betekenis als er een groter kader is, een model. Turgot en De Condercet schetsten dat, de negentiende-eeuwers vulden het in.

[Wordt vervolgd]

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Hannibal: van Saguntum tot Cannae

[Dit is het tweede van vier stukjes over het leven van de Karthaagse veldheer Hannibal. Het eerste was hier.]Terwijl in Read more

Verliefd, verloren

Een noot in een publicatie van vondsten uit Thuin waarvan ik de gegevens momenteel niet bij de hand heb, was Read more

Door berg en dal met Hannibal: de Alpen

Ik had u een stukje beloofd over Hannibals opmars naar de Alpen. Het probleem is, zoals ik in eerdere stukjes Read more

Door berg en dal met Hannibal: de Drac

De tocht van Hannibal over de Alpen mag dan een non-probleem zijn, het is een leuk onderwerp om uit te leggen Read more