De Tweede Hoofdwet van de Archeologie

Slaven op een scherf terra sigillata uit Matilo (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
22 november 2020

Ik maak weleens het grapje dat er een “Eerste Hoofdwet van de Archeologie” is, namelijk dat niet meteen identificeerbare voorwerpen religieus zullen zijn. Aangezien er vroeg of laat wel een staaf of een gat in te herkennen is, zeg ik er soms bij, is ook een interpretatie als vruchtbaarheidssymbool snel gemaakt.

Als je dit tegen archeologen zegt, beginnen ze te grinniken, want ze herkennen het allemaal. De onderzoekers van de grotten waarin de Dode Zee-rollen zijn gevonden, identificeerden een nabijgelegen ruïne als het overblijfsel van een klooster. Het bleek een boerderij. Archeoloog Colin Renfrew noemt in The Archaeology of Cult een verzameling beeldjes van vrouwenfiguren die geen bewijs was voor een eredienst voor de Grote Moedergodin, maar bleek te behoren bij “a Mycenaean toy shop”. Voor een hilarische uitwerking kunt u al sinds 1979 terecht bij The Motel of Mysteries van David Macaulay.

Oudheidkundige standaardoverdrijving

Er is, zo kan ik u vandaag meedelen, ook een Tweede Hoofdwet van de Archeologie. Deze beschrijft de oudheidkundige standaardoverdrijving. Wat een archeoloog ook opgraaft, hij zal er méér van maken dan hij echt kan onderbouwen. Je vindt een trappenhuis achter de tempel van Castor en Pollux en de treden leiden naar het huis van keizer Tiberius. De trap is ouder dan de nieuwbouw van keizer Nero. Dan breng je naar buiten (a) dat die trap is gebouwd door Caligula (hoewel het archeologisch bewijs ook Claudius mogelijk maakt) en (b) dat dit bewijst dat Caligula inderdaad stapelgek was. Want anders zou hij Castor en Pollux niet als poortwachters voor zijn paleis hebben gebruikt.

Voor het geval u twijfelt: dit is een werkelijk gemaakte claim.

Amfipolis en Pompeii

Het enorme grafmonument in Amfipolis is dus, al voordat je het hebt onderzocht, het graf van een van de metgezellen van Alexander de Grote, ook al heb je werkelijk geen idee wat je zult vinden. Je moet toch wat, om naar fondsen te hengelen. Als je dan echter munten aantreft die een eeuw te jong zijn, heb je een probleem. Dat klets je vervolgens weg door te zeggen dat die zijn achtergelaten door latere bezoekers.

Vorig jaar ventten de archeologen die in Pompeii werkzaam zijn, een bende rommel uit als een tovenaarsschat. Dit jaar brengen ze de overblijfselen van twee mensen naar buiten als de resten van een rijke man (herkenbaar aan een wollen mantel) en een slaaf, die herkenbaar was aan het feit dat zijn ribben gekneusd waren geweest. Dat zou duiden op zwaar werk.

Tja. Ik kan wel wat meer redenen bedenken waarom mensen gekneusde ribben hebben, maar laten we even aannemen dat dit klopt. Zou het dan niet veel interessanter zijn geweest het socio-archeo-traumatologisch onderzoek te presenteren dat deze conclusie rechtvaardigt?

De Tweede Hoofdwet van de Archeologie

Mijn punt is: we krijgen weer eens een vondst gepresenteerd met een (vrijwel zeker te snel getrokken) vérgaande conclusie. Wat we niet krijgen te horen, is de wijze waarop wetenschappers tot die conclusie komen. De puzzel blijft onvermeld. Het gaat niet over wetenschap. De Tweede Hoofdwet van de Archeologie luidt dus: Als een archeoloog in het nieuws komt, zal hij het nooit hebben over archeologie. Hij beperkt zich tot de vondsten en de conclusies.

Nou ja, nooit: elke wet heeft uitzonderingen. Die tonen immers wat de regel is. Dit weekend laat Elleke Bal in Trouw de Vlaamse archeologe Astrid Van Oyen aan het woord – en dat artikel, “Het laatje met rommel als spiegel van de geschiedenis”, toont dat je prima over archeologie kunt schrijven als het testen van theorieën.

Deel dit blog:
Skythen in een gebied zonder landkaarten

Een dezer dagen neemt Jean Bourgeois afscheid van de Gentse universiteit. Hij is in Nederland niet zo bekend, maar hij Read more

Het Ur der Chaldeeën

Van alle steden uit het oude Nabije Oosten zal “het Ur der Chaldeeën” na Babylon wel het bekendste zijn. Volgens Read more

Hunebed van de dag: D6 (Tynaarlo)

Het op vijf na noordelijkste hunebed in Nederland, hunebed D6, was het eerste dat ik zag. Althans als volwassene. Ik Read more

De Warka-vaas

Ik blogde al over de grote stad Uruk, tegenwoordig Warka, waar de overgang van Neolithicum naar geschiedenis is gedocumenteerd in Read more