De Rechte Weg

24 januari 2021

Eind vorig jaar ben ik begonnen aan een reeks waarin ik het Nieuwe Testament doorneem zonder me al teveel te bekreunen om latere christelijke interpretaties, terwijl ik wel probeer uit te vissen wat een Joodse lezer ervan zou hebben gedacht. Ik heb geen idee welke kant die reeks op gaat, maar zolang het denkbaar is dat een oudhistoricus in een boek over Petrus wél de westerse tradities bekijkt maar niet de Aramese uitleg of de joodse context, staat de zin van mijn exercitie buiten kijf. Omdat ik de proloog van het Johannesevangelie, het kerstverhaal volgens Lukas en het begin van het Matteüsevangelie al heb behandeld, vandaag Marcus.

Het tweede en eerste evangelie

In uw Bijbel is Marcus het tweede evangelie, omdat de kerkvader Augustinus meende dat het een uittreksel was van Matteüs, het eerste evangelie. In feite is dit het oudste evangelie. Amerikaanse onderzoekers plaatsen het meestal kort na 70 n.Chr. omdat er een voorspelling in staat van de val van Jeruzalem en correcte voorspellingen doorgaans ná de gebeurtenissen worden opgeschreven; Europese onderzoekers denken eerder dat iedereen die de krant las de gebeurtenis kon zien aankomen en plaatsen het evangelie kort voor 70.

Evangelie van… ja, van wie?

De allereerste zin luidt

Het begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God.

Je begint te lezen en je snapt het meteen al niet. Het vijfde woord, “evangelie”, betekent goed nieuws. Maar wat is daarmee bedoeld? Bedoelt Marcus daarmee de boodschap van Jezus zélf (“De tijd is aangebroken, het Koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws”: Marcus 1.15) of is het goede nieuws de christelijke, latere boodschap dat wie gelooft in Jezus wordt gered? De tekst is volgens mij ambigu maar misschien dat de classici die deze blog volgen, het weten.

De twee voor Jezus gebruikte titels zijn redelijk probleemloos: Christus, “gezalfde”, is de vertaling van messias, d.w.z. degene die Israël herstelt, en “zoon van God” is geen ongebruikelijke aanduiding van een koningskind (vgl. Psalm 2.7) of een geloofsheld (vgl. Jozef en Asenet 6). Jezus was messias en uit dien hoofde natuurlijk koningskind en geloofsheld tegelijk.

De weg

De twee volgende verzen vormen een expliciet citaat:

Het staat geschreven bij de profeet Jesaja: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen. Luid klinkt een stem in de woestijn: ‘Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden!’”

In feite is dit geen regel van Jesaja, maar een combinatie van Maleachi 3.1 en Jesaja 40.3, maar dat is niet zo belangrijk. Veel interessanter is het beeld dat wordt gebruikt, dat van een weg. Dit is in antieke teksten een veelgebruikte metafoor om een verzameling juiste handelingen aan te duiden. Het klassieke beeld, afkomstig van Prodikkos van Keos, is dat van Herakles op de tweesprong, die moet kiezen tussen het smalle pad van de deugd en de brede weg van het verderf.

In een joodse context spreekt men van halacha, wat ook zoiets als “de juiste gang” of “het pad” betekent. God had de joden uitverkoren en gezegend met de Wet, en een jood reageerde op die genade door na te denken over de beste manier om de Wet uit te voeren. Door dit beeld te gebruiken, presenteert Marcus de door Jezus voorgestane ideeën als een van de wegen die een jood kon volgen. Anders dan de Grieken, die het hadden over een smal pad, spraken de joden van een rechte weg. Een voorbeeld is Jubileeën 12.21, waarin Abraham (aan wie niets menselijks vreemd is) God verzoekt het volgen van de rechte weg profijtelijk te laten zijn. (Dat in Damascus een straat was die “de Rechte Weg” werd genoemd, moet voor Joden echt opmerkelijk zijn geweest.)

De weg van Henoch

Ik heb er al vaker op gewezen dat de zogeheten Henochitische literatuur belangrijk lijkt te zijn geweest in het milieu waaruit Jezus voortkwam. In de Gelijkenissen van Henoch wordt de Mensenzoon (die het Laatste Oordeel zal uitspreken) niet alleen gelijkgesteld aan de messias (die Israël herstelt), maar is ook sprake van de weg van de Mensenzoon, gevolgd door mensen die streven naar rechtvaardigheid. Ze verwerven het eeuwig leven, “want zijn weg is een rechte weg voor de rechtvaardigen” (71.17).

Dit is de slotzin van de Gelijkenissen, de pointe waar de auteur al ruim dertig hoofdstukken naartoe werkt. Ik ga ervan uit dat niemand van degenen die het Marcusevangelie voorgelezen kreeg, ervan heeft opgekeken dat in de eerste zin de messias werd geïntroduceerd en dat er in de tweede en derde zin sprake was van rechte wegen. De niet bepaald samenhangende beeldspraken van zalving en wegenbouw behoorden tweeduizend jaar geleden al bij elkaar.

Tot slot

Over de wegbereider zelf, Johannes de Doper, zullen we het nog weleens hebben. Voor het moment verwijs ik nog even naar de gewoonte om joods wijsheidsleraren te presenteren in tweetallen: Elia en Elisa bijvoorbeeld, of Ezra en Nehemia, en vooral de “paren” in het Mishna-traktaat Abot (1.4-16). Daarvan zijn de twee farizese leiders Sjammai en Hillel het bekendst. De messias kon niet zonder wegbereider, Jezus kon niet zonder Johannes.

Om af te ronden wijs ik nog even op de geestige wijze waarop Hubert Lampo De komst van Joachim Stiller begint, een roman over een Christus-achtig figuur: met wegwerkzaamheden.

[Het bericht De Rechte Weg verscheen oorspronkelijk op Mainzer Beobachter.]

Deel dit blog:
Johannes de Doper en het christendom

Ik heb de afgelopen tijd de teksten over Johannes de Doper doorgenomen: de aankondiging van zijn geboorte, zijn prediking en Read more

Het eerste “Baptist Block” (1)

Ik begon vorige week aan wat ik maar even een systematische verkenning van alle informatie over Johannes de Doper zal Read more

Het eerste “Baptist Block” (2)

Nu u in het vorige stukje hebt gezien dat Matteüs en Lukas overeenkomsten hebben, en we dus mogen aannemen dat Read more

De niet-kerstster

Munt van Bar Kochba met de tempel en de messiaanse ster (British Museum, Londen) Nee, er waren geen Drie Koningen Read more


Categoriën: Christendom, Jodendom