De positieve en negatieve heuristiek

De Griekse tempel van Jandial bij Taxila
12 november 2020

Ergens eind jaren tachtig verdiepte ik me als student bij een werkcollege in de persoon van Apollonios van Tyana, een Pythagorese wijze van wie de oude Romeinen meenden dat hij een reis had gemaakt naar de stad Taxila in de Punjab. Ik maakte toen ook kennis met de Indische tekst die bekendstaat als de Agamasatra van Gaudapada, waarin Apollonios en zijn leerling Damis worden genoemd. Deze aanwijzing dat Apollonios’ oostelijke reis een historisch feit was, was opgedolven door een fantasierijke onderzoeker die Graham Anderson heette maar een wat nuchterder onderzoeker, Simon Swain, opperde dat het een vervalsing was en dat vormde destijds het einde van de zaak.

Als ik het hier in Tunesië – lees: zonder dat ik het desbetreffende artikel kan raadplegen – goed herinner, bestond zijn argumentatie uit twee constateringen, namelijk enerzijds dat reizen over zulke afstanden zeldzaam waren en dat het dus op voorhand onaannemelijk was dat Apollonios zo ver oostelijk was geweest, en anderzijds dat de tekst circuleerde in een Indische stroming die wel meer vervalsingen op zijn naam had staan. Welbeschouwd is dat laatste niet meer dan een insinuatie. Zoiets kan alleen overtuigend klinken als de lezers al een beeld hebben van hoe de vork in de steel zit: mensen reisden destijds niet zo ver, oude Indiërs schreven geen teksten over Grieks-Romeinse filosofen, en zo voort en zo verder.

Keuzes

Dit is niet heel rationeel, maar zo gaat het nu eenmaal. Een wetenschapper loopt van tijd tot tijd tegen vragen aan die hem dwingen na te denken over de wijze waarop hij verder gaat. Hij beschikt immers niet over onbeperkte middelen en onbeperkte tijd, dus hij verlangt naar een richting die op afzienbare termijn resultaat belooft. Sommige dingen overweeg je niet, andere neem je op voorhand aan, zelfs als het bewijs onvoldoende is. In dit geval was er een verwachting dat het niet zo zinvol was verder onderzoek te baseren op de aanname dat de Agamasatra van Gaudapada werkelijk informatie bevat over Apollonios.

Dit was een alledaags voorbeeld, maar het gebeurt ook op een dieper niveau. Een eenvoudig voorbeeld: over de hele wereld zijn piramides gevonden en een onderzoeker zal wél overwegen dat koningen hun macht wilden tonen middels monumentale architectuur met een nogal voorspelbare vorm, en zal níet overwegen dat buitenaardse wezens op verschillende momenten in het verleden onze planeet hebben bezocht en de diverse culturen hetzelfde bouwadvies hebben gegeven. Welbeschouwd moet de onderzoeker beide overwegen maar het een is een toegestane onderzoeksrichting en het ander is dat niet.

Heuristieken

We spreken van een positieve en een negatieve heuristiek. Samen definiëren ze een wetenschappelijke discipline, die dus is op te vatten als een verzameling ge- en verboden om inzichten te verwerven. Als in een Byzantijnse bron staat dat Archimedes met brandspiegels Romeinse schepen heeft vernietigd, is het verboden aan te nemen dat de natuurwetten destijds anders waren (negatieve heuristiek), en is het wel toegestaan deze informatie af te doen als literaire verdichting. Algemener geformuleerd: de negatieve heuristiek bepaalt de grens van een vakgebied en de positieve heuristiek bepaalt de richtingen waarmee de verschijnselen – in dit voorbeeld een fysische onmogelijkheid – mogen worden verklaard.

Aanpassingen van de positieve heuristiek zijn aan de orde van de dag. Archeologen voegen voortdurend nieuwe methoden toe; classici en oudhistorici hebben ook steeds nieuwe invalshoeken, die zijn gebaseerd op de voortdurend veranderende actualiteit. Vooral jonge onderzoekers kunnen daarover spreken met een aanstekelijk enthousiasme.

De negatieve heuristiek blijft echter onveranderd. Archeologen kijken doorgaans niet om naar de historische taalkunde. Zouden ze dat wel doen, dan kijken hun collega’s minimaal vreemd op. Maximaal erkennen ze zo iemand niet langer als collega omdat hij buiten de grenzen van zijn vakgebied is gegaan.

Wijzigende heuristieken

Het wezen van de DNA-revolutie is nu dat de heuristieken veranderen. Mensen en dus ideeën waren, zo lijkt het, veel beweeglijker dan aangenomen. Er is daarom tegenwoordig meer aandacht voor de Grieken die India bezochten. Dat was niet zo onmogelijk als vroeger op voorhand werd aangenomen. Ik denk niet dat Swains insinuatie-als-argument momenteel nog zou worden aanvaard. De interpretatiehorizon, de grens tot waar je kijkt om comparanda te vinden bij de analyse van een tekst of vondst, is immers weggevallen of verruimd: als ideeën vrijuit reizen kunnen, kun je alles met alles vergelijken en dé uitdaging voor de oudheidkunde is nu om zinvolle en minder zinvolle parallellen te vinden. Wat een horizon was, is nu een soort spaghetti van culturele-overdrachts-routes die zal moeten worden verkend.

Wat mij nu verontrust is dat deze impact van de DNA-revolutie nauwelijks wordt verdisconteerd. Wat moderne onderzoekers in hun subsidieaanvragen als vernieuwing (“paradigm shift”, “seminal”, “groundbreaking”, “innovative”, enz.) typeren is zelden meer dan een aanpassing van de positieve heuristiek. Daar kun je enthousiast over zijn – ik schrijf dit zonder ironie – maar het is slechts business as usual. De negatieve heuristiek blijft ongewijzigd; het vak zelf blijft in essentie negentiende-eeuws. Anders dan de archeologen, die de groei van de sociale theorie verdisconteerden en hun vak enkele keren grondig vernieuwden, kennen de meer filologisch georiënteerde oudheidkundigen weinig werkelijke innovatie.

Zeker, ze brengen nieuwe inzichten. En ook: de uitkomst van de DNA-revolutie is nog vaag. Maar ik denk dat we inmiddels het punt zijn gepasseerd dat een onderzoeker méér inzicht wint door de negatieve heuristiek te moderniseren dan door de positieve heuristieken te blijven aanpassen.

PS

Apollonios is in dit stukje maar een voorbeeld. Swain had meer argumenten. Ik heb dus niet beweerd dat Apollonios Taxila heeft bezocht, al hebben archeologen later vastgesteld dat de beschrijving van die stad in Filostratos’ Leven van Apollonios teruggaat op een ooggetuigenverslag.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
De beslissendheid van Marathon

Eergisteren blogde ik over de slag bij Marathon, waarin de Atheners een Perzisch leger, dat zich al aan het terugtrekken was en zijn dekking door Read more

Vergelijkingen en relevantie

In mijn vorige stukje vertelde ik dat de Oudheid voor ons relevant kan zijn, maar wees ik er ook op dat als Read more

Continuïteit en relevantie

Sommige antieke teksten illustreren aspecten van de oude wereld die hun invloed lange tijd, soms zelfs nog steeds, hebben doen Read more

Verhalende geschiedschrijving

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert Read more