De onmiddellijke context

De Rijn bij Koblenz
13 november 2020

Het is een bekende truc van populisten: een rauwe uitspraak doen (“alle moslims zijn terroristen”) en dan, als er kritiek komt, zeggen dat het ironisch was, of een hyperbool, of dat je niet alles letterlijk moet nemen. Dat kan oprecht waar zijn, maar ondertussen heeft de achterban de serieuze kern achter de grap gehoord en geconcludeerd dat bepaald gedachtegoed in goede handen is bij een spreker die zulke extreme uitspraken doet. Eén en dezelfde taaluiting kan dus op twee manieren bedoeld zijn geweest.

De dubbelzinnigheid kan natuurlijk ook onbedoeld zijn. Een misverstand. Toen Els Borst de behandeling van de euthanasiewet had afgerond, zuchtte ze “het is volbracht”, wat door enkele christelijke volksvertegenwoordigers werd uitgelegd als een sneer naar hun geloofsovertuiging, aangezien het Goede Vrijdag was. In dit geval konden ze gewoon aan Borst vragen of ze haar opmerking kwetsend had bedoeld, maar wat doe je als je het niet meer kunt vragen? Met andere woorden, wat doe je als een in het verleden geschreven tekst meerduidig is?

In zulke gevallen gaan je aannames een belangrijke rol spelen. Je kunt althans niet controleren of deze juist zijn. Dit is natuurlijk het geval bij de Oudheid. In de negentiende eeuw, de tijd waarin de moderne overheid ontstond, meende men dat er ook in de Oudheid één overheid voor één staat voor één volk voor één taal voor één machtsgebied moest zijn met één wet en één leger met één strategie en één grens. Een grens die men scherp op de kaart meende te kunnen trekken. Zo ontstond in Duitsland, waar de obsessie met eenheid het grootst was, belangstelling voor de Romeinse Rijksgrens. Fragmenten uit Velleius Paterculus en Annaeus Florus werden gelezen alsof ze daarop betrekking hadden, archeologische vondsten werden vanuit dit perspectief geduid.

Dat hoeft geen onzin te zijn – een oudheidkundige doet er doorgaans verstandig aan negentiende-eeuwse Duitse geleerden héél serieus te nemen – maar soms gaat het fout. Eén voorbeeld is Florus’ opmerking dat na de slag in het Teutoburgerwoud in 9 n.Chr. een rijk waarvan de uitbreiding door de Oceaan niet tot stilstand kon worden gebracht, werd begrensd door de Rijn (Epitome 2.30.38). De Altertumswissenschaftler lazen dit als een constatering dat de Romeinen na de genoemde veldslag de Rijn als grens namen. Alle archeologische vondsten op de oostoever werden automatisch vóór 9 gedateerd. Inmiddels denken we te weten dat de slag niet leidde tot het ontstaan van een Rijngrens. De Romeinen kenden invloedssferen en trokken geen scherpe grenzen.

Of de nieuwe interpretatie correct is, is nu even niet belangrijk. Waar het mij om gaat is dat de voorkennis van de lezer invloed heeft op zijn interpretatie. De negentiende-eeuwers konden niet anders dan scherpe grenzen zien, omdat dat hun denkkader was. Toch hadden ze het probleem kunnen herkennen als ze rekening hadden gehouden met de onmiddellijke context. Florus schreef in de tweede eeuw en schreef voor tweede-eeuwers. Hij schreef niet voor mensen in het jaar 9. De passage laat zich lezen als commentaar op de versterking van de Rijngrens ten tijde van Trajanus en Hadrianus: in de tweede eeuw was de rivier wél de grens geworden van het rijk.

Het herkennen van de onmiddellijke context wil nog weleens een misverstand of een overbodige hypothese helpen voorkómen. Een ander voorbeeld: drie jaar geleden besteedde De Volkskrant aandacht aan de theorie van Henriette Broekema dat het lijdensverhaal van Jezus was gevormd n.a.v. de Sumerische Dumuzi-mythe. Je kunt het verhaal over de ondergang en dood van Jezus op twee manieren duiden: door te kijken naar de joodse achtergrond en door te kijken naar een Sumerische achtergrond. Eén theorie is Jezus’ directe, eigen context, de andere context ligt twee millennia eerder en honderden kilometers verderop.

Alleen al om deze reden is het beter de evangeliën te lezen met naast je op tafel uitgaven van de Dode Zee-rollen, de Mishna, Flavius Josephus en de Henochitische literatuur. Dat lost ook niet alle problemen op, maar je komt minder snel tot een misleidende hypothese dan als je kijkt in de mythologie van een vreemde cultuur. De onmiddellijke context kan dus, ceteris paribus, een handige vuistregel zijn om waarschijnlijke en minder waarschijnlijke hypotheses en interpretaties te scheiden.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Droysen

De bestudering van het verleden lijkt wat op een pakhuis waarin van alles en nog wat ligt, Kreuz und Quer door elkaar. Read more

Topiek

Severus van Antiochië – die overigens niet kwam uit Antiochië maar in 465 werd geboren in Sozopolis in Klein-Azië – was geen Read more

Je leest nooit slechts één tekst

De zeeslag van Salamis vond plaats op 29 september 480 v.Chr. en de slag bij Marathon vond tien jaar eerder plaats. Over de maand Read more

Domitianus en de joden

Ik had het vorige week over de rol van keizer Domitianus (r.81-96) bij het schisma tussen christendom en rabbijns jodendom. Read more