De Nijmeegse aquaductenaffaire

De bovenloop van het aquaduct op het terrein van Museumpark Orientalis
12 november 2020

1.

In het oosten van Nijmegen ligt een oud Romeins aquaduct. De vijver, de geulen en de drie dammen zijn goed vergelijkbaar met antieke waterleidingen als die in Dorchester en Tongeren, maar er zijn weinig concrete vondsten gedaan. Hout, het materiaal waarmee de eigenlijke waterloop was gebouwd, is nu eenmaal vergankelijk en kan niet meer worden opgegraven.

Het is daarom begrijpelijk dat er een stevige discussie is losgebarsten of de vijver, geulen en dammen wel door de Romeinen zijn aangelegd. Aanvankelijk waren het sceptische burgers die vragen stelden; later kwamen daar journalisten bij; daarna gaf de Nijmeegse Rekenkamer advies; tot slot oordeelde de Nijmeegse politiek dat er geen reden was tot twijfel. De affaire interesseert me, maar niet om de vraag of er werkelijk een aquaduct is geweest. Voor zover we weten, was het er. Voor zover we weten, is de kritiek onterecht. Daarom is de scepsis zo boeiend. De Nijmeegse archeologen betalen namelijk voor fouten die niet zij hebben gemaakt.

2.

Eerst even een woord over de kritiek. De sceptici stellen dat er, alvorens te concluderen dat er een aquaduct is geweest, sprake moet zijn van concrete, positieve aanwijzingen. Zulk bewijs is echter niet te leveren: zoals gezegd is het bouwmateriaal te vergankelijk om op te graven. De onmogelijkheid iets vanuit direct bewijsmateriaal te reconstrueren geldt echter niet alleen voor het aquaduct, ze geldt voor alles uit de oude wereld. De oudheidkundige disciplines hebben nu eenmaal een smalle empirische basis.

Dat wil niet zeggen dat de oudheidkundige machteloos staat. In zijn omgang met de schaarse informatie lijkt hij meer op een detective of een medewerker van een inlichtingendienst: hij interpreteert aanwijzingen. Die interpretatie wordt gecontroleerd door enkele vuistregels: voor classici zijn er de eliminatie van bronnen en de eliminatie van manuscripten, voor historici de Everest Fallacy, de positivistische misvatting en testis unus testis nullus, terwijl archeologen wel eens spreken van absence of evidence is not evidence of absence. Deze regels worden zelden expliciet benoemd, maar de oudheidkundige wetenschappen zijn minder speculatief dan ze soms lijken.

De onderzoekers kunnen hun reconstructies bovendien toetsen door ze te vergelijken met andere reconstructies. Dat geldt bij de bestudering van oude teksten: ook al bestaat een inscriptie uit maar een paar letters, er valt door vergelijking met soortgelijke teksten vaak heel wat van te maken, zoals in dit voorbeeld. Dat geldt bij de bestudering van antieke samenlevingen: vergelijking met andere voorindustriële culturen leert dat bepaalde reconstructies waarschijnlijker zijn dan andere. En dat geldt voor de archeologie: de hypothese dat een vijver, wat geulen en drie dammen samen een aquaduct vormden, zou boterzacht zijn als we haar niet konden vergelijken met bijvoorbeeld Tongeren en als we de waterbehoefte van de legioenbasis van Nijmegen niet konden vergelijken met die van andere bases (om zo vast te stellen dat er een aquaduct geweest moet zijn omdat de capaciteit van de lokale waterbronnen te gering was). Naast empirie beschikt de oudheidkundige dus over vergelijkingen. Of, in jargontermen: naast de correspondentietheorie van de waarheid speelt de coherentietheorie een rol. Nog anders gezegd: de oudheidkunde is geen louter empirische maar tevens een rationalistische wetenschap.

Wie dus van een archeoloog of een andere oudheidkundige empirisch bewijs voor zijn reconstructie vraagt, zoals in Nijmegen gebeurde, heeft niet voldoende begrepen dat alles in de oudheidkunde draait om een gierend datagebrek en dat de vaktheorie ertoe dient om dat te omzeilen.

3.

Niemand verplicht mensen om dat te weten en ik zal geen enkele kritische burger iets kwalijk nemen. Sterker nog, ik ben blij dat er burgers en journalisten zijn die kritische vragen stellen. Er is namelijk – en nu kom ik ter zake – iets grondig verkeerd met de wijze waarop oudheidkundigen hun publiek voorlichten, en daarvoor betalen de Nijmeegse archeologen, die het zo slecht niet hebben gedaan, nu ten onrechte de rekening.

Simpel gezegd: 40% van de archeologische persberichten bevat onjuistheden die de betrokkenen hadden moeten herkennen. In Nederland is het wat minder, in landen als Griekenland en Israël is het wat meer, maar scepsis is gerechtvaardigd. Archeologen zijn ook niet de enige oudheidkundigen die overdrijven: hier is een recent voorbeeld van een onderzoeker die heus wel weet dat wat hij presenteert als ontdekking een hypothese is. Een aantrekkelijke hypothese, zeker, maar ook niet meer dan dat.

Dit soort overdrijvingen illustreert de belangentegenstelling tussen enerzijds de wetenschapper en de wetenschappelijke instelling en anderzijds de wetenschap en u. De onderzoeker vergroot met een gelikt persbericht zijn kans op media-exposure, want hij werkt doorgaans voor een instelling die van hem verwacht dat hij een deel van zijn financiering zelf regelt, maar hij bereikt op de korte termijn vooral dat mensen verkeerde noties krijgen over zijn vakgebied. Op de middellange termijn worden de overdreven claims doorgeprikt, zeker nu een derde van de bevolking een hogere opleiding heeft en junkwetenschap kan beoordelen, en op de lange termijn is de wetenschap ongeloofwaardig geworden. Daarmee bent u gedupeerd.

Nijmegen heeft de pech dat de scepsis ten aanzien van de archeologie door de Venlose mikve-affaire een boost heeft gekregen, maar dat was bepaald geen noodzakelijke voorwaarde om een relletje geboren te laten worden. Archeologen en andere oudheidkundigen kampen wereldwijd al jaren met een geloofwaardigheidsprobleem. Er zijn teveel claims doorgeprikt. Het is echter niet terecht dat nu de archeologen in Nijmegen daarvoor opdraaien: hun valt weinig verwijten, behalve dat ze een beroep uitoefenen dat wordt bekritiseerd.

4.

Ik betoog dus dat het feit dat bona fide archeologen onder vuur liggen, mogelijk is geworden doordat het vakterrein als geheel ongeloofwaardig begint te worden. De archeologen moeten nu alle zeilen bijzetten om het vertrouwen te bewaren. En niet alleen de archeologen. Ik schrijf dit stukje als opmaat voor een vervolg over classici en oudhistorici.

Er is nog een tweede reden om alert te zijn: het informatieaanbod is door de opkomst van het internet zó ver vergroot dat mensen gedwongen zijn selecties aan te brengen. De wetenschap moet nu concurreren met andere kennistradities. Elke discipline moet nu tonen waarom haar informatie beter is dan andere. Dit is dan ook de strekking van het KNAW/JA-advies van twee jaar geleden: leg het wetenschappelijk proces uit. Dat advies werd overigens beslist niet voor het eerst gegeven – ik ken het zelf sinds 2006 en neem aan dat het binnen de universiteit al langer de ronde doet.

De echte vraag is daarom niet wat die geulen nou zijn of hoe oudheidkundigen omgaan met hun datatekort, maar waarom ze zich doorgaans niet adequaat uitleggen. Zouden ze wel uitleggen wat de oudheidkundige disciplines maakt tot een wetenschap, dan zou er begrip hebben bestaan voor de vergelijkingen waarmee ze de waarheid benadert. Dan zouden er geen verontruste burgers zijn geweest die de vele misschiens en waarschijnlijks uit de oudheidkundige publicaties ten onrechte hadden uitgelegd als aanwijzing dat er geen aquaduct is. En we zouden niet hebben meegemaakt dat een Rekenkamer onwetenschappelijk over wetenschappers oordeelde. Met betere wetenschapsvoorlichting zou het Nijmeegse relletje te vermijden zijn geweest.

5.

Tijdens het schrijven van dit stukje vernam ik dat de Nijmeegse gemeentearcheologen denken aan de publicatie van een boekje om alle argumenten op een rij te zetten. Ik denk dat het rendement van een goede website groter is, maar het is een goed idee.

[Deze blog verscheen oorspronkelijk in de reeks “Methode op Maandag“.]

Deel dit blog:
Koolstofdatering: Pseudoscepsis

Nu we de wetenschappelijke zelfkritiek hebben gehad, komen we als vanzelf bij de pseudosceptici, waaronder er zijn die de koolstofmethode niet zien Read more

De eerste, de tweede en de derde lijn

Laten we het eens hebben over wetenschapscommunicatie. De opkomst van het internet heeft alles veranderd. Gold in de jaren tachtig Read more

Continuïteit en relevantie

Sommige antieke teksten illustreren aspecten van de oude wereld die hun invloed lange tijd, soms zelfs nog steeds, hebben doen Read more

Zijn we te laat?

Nederland zucht onder extreem hoge temperaturen. Sinds de hittegolven van 1975 en 1976 is het in ons land niet meer Read more